Door naar volgend hoofdstuk

7.1 Vaccinatieseries

Voor een aantal vaccinaties geldt dat deze in een serie gegeven moeten worden om te zorgen voor voldoende bescherming. Een vaccinatieserie bestaat doorgaans uit meerdere doses van hetzelfde vaccin, toegediend binnen een vooraf vastgesteld tijdsinterval. Door toediening van meerdere doses kan het immuunsysteem het betreffende micro-organisme beter herkennen en wordt een langduriger en effectievere immuniteit opgebouwd.

Bij het plannen van een serie vaccinaties wordt altijd gebruikgemaakt van streefintervallen en minimumintervallen. Hierbij is het uitgangspunt dat 1 maand 30 dagen is. Het is belangrijk om zoveel mogelijk de streefintervallen aan te houden, omdat hiermee de beste immuniteit wordt opgebouwd. Streefintervallen kunnen verschillend zijn op verschillende leeftijden. Minimumleeftijden en minimumintervallen worden alleen gehanteerd als het de enige optie is, omdat die minder gunstig zijn voor de immuniteitsopbouw.

Vanaf 2025 geldt voor alle vaccinaties in een serie, dat bij een te vroeg gegeven vaccinatie een extra vaccinatie wordt gepland met het juiste streefinterval vanaf de te vroeg gegeven vaccinatie.

7.2 De RSV-immunisatie

Vanaf september 2025 krijgen alle baby's geboren op of na 1 april 2025, in hun eerste levensjaar eenmalig de RSV-immunisatie aangeboden. Zie het addendum RSV-immunisatie voor baby's.

7.3 De rotavirusvaccinatie

Het rotavirusvaccin is een levend verzwakt vaccin dat oraal wordt toegediend. Een volledige serie van de rotavirusvaccinatie bestaat uit twee doses. Het vaccin is geschikt voor zuigelingen in de leeftijd van 6 weken t/m 23 weken en 6 dagen. Bij prematuur geboren baby's wordt geen minimale zwangerschapsduur gehanteerd (ESPID, CDC, RIVAR-studie, WHO). Dit advies wijkt af van de bijsluitertekst (= off-label use), maar deze richtlijn is leidend en overrulet de bijsluiter. Dit is toegestaan op basis van artikel 68 van de Geneesmiddelenwet dat stelt: 'Het buiten de door het College geregistreerde indicaties voorschrijven van geneesmiddelen is alleen geoorloofd wanneer daarover binnen de beroepsgroep protocollen of standaarden zijn ontwikkeld.'

Vanaf de leeftijd van 24 weken vervalt de indicatie voor de rotavirusvaccinatie; het vaccin mag niet meer worden toegediend, ook niet als er nog maar één dosis is toegediend en de serie niet is afgerond.

Rota1: de eerste rotavirusvaccinatie wordt gegeven op de leeftijd van 6-9 weken.

  • Het heeft de voorkeur de vaccinatie zo vroeg mogelijk, dat wil zeggen op de leeftijd van 6 weken, toe te dienen. Indien voor de DKTP Difterie, Kinkhoest, Tetanus en Poliomyelitis (Difterie, Kinkhoest, Tetanus en Poliomyelitis )-Hib-HepB een 2-3-5-12-maandenschema is geïndiceerd, bij voorkeur tegelijk met DKTP-Hib-HepB-X toedienen.
  • De vaccinatie mag niet eerder gegeven worden dan op de leeftijd van 6 weken. Als de vaccinatie per ongeluk eerder wordt gegeven, hoeft deze niet nogmaals gegeven te worden. (PM: DKTP-Hib-HepB-X in het aangepaste schema en Pneu1 hebben een minimumleeftijd van 4 weken.)
  • Het heeft sterk de voorkeur Rota1 niet later te geven dan op de leeftijd van 12 weken.
    • Als Rota1 uiterlijk op de leeftijd 19 weken en 6 dagen wordt toegediend, dan kan er nog een Rota2 worden toegediend vóór de leeftijd van 24 weken. Het minimuminterval is 4 weken.
    • Als Rota1 wordt toegediend op de leeftijd 20 weken tot en met 23 weken en 6 dagen, kan er geen tweede toediening meer plaatsvinden. Een 1-dosisschema heeft niet de voorkeur, maar geeft bij de meeste kinderen nog wel voldoende bescherming (Vesikari 2004).

Rota2: de tweede rotavirusvaccinatie wordt gegeven op de leeftijd van 3 maanden.

  • Als Rota1 op de leeftijd van 6-9 weken is gegeven dan heeft het de voorkeur dat Rota2 samen met DKTP-Hib-HepB en Pneu op de leeftijd van 3 maanden wordt toegediend.
  • Als Rota1 later is toegediend dan op 6-9 weken, dan is het streefinterval tussen Rota1 en Rota2 1 maand.
  • Het minimuminterval is 4 weken tussen Rota1 en Rota2. (PM: DKTP-Hib-HepB heeft een ander minimuminterval: 2 weken of 6 weken afhankelijk van het schema)
  • Een korter interval moet voorkomen worden. Als dat onverhoopt toch gebeurt, wordt in principe een extra vaccin toegediend, met een interval van 4 weken na de te vroege toediening. De jeugdarts maakt hiervoor de afweging (hoeveel dagen te kort interval, leeftijd zuigeling, rotavirusseizoen (winter t/m vroege voorjaar), behorend tot risicogroep), eventueel in overleg met de medisch adviseur RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu).
  • Rota2 dient bij voorkeur vóór de leeftijd van 16 weken en uiterlijk op de leeftijd van 23 weken en 6 dagen te worden toegediend. Later toedienen is off-label en wordt ten zeerste afgeraden, omdat de toediening dan dicht bij de natuurlijke piek van darminvaginatie komt. Dat verhoogt de kans op een darminvaginatie ná de vaccinatie. We willen zoveel mogelijk voorkómen dat het vaccin ten onrechte geassocieerd wordt met darminvaginaties die later (tijdens de natuurlijke piek) optreden. Indien het vaccin toch off-label is toegediend, moet dit worden gemeld bij Bijwerkingencentrum Lareb (zie ook paragraaf 11.4).

7.4 De DKTP-Hib-HepB-vaccinatie

Voor de DKTP Difterie, Kinkhoest, Tetanus en Poliomyelitis (Difterie, Kinkhoest, Tetanus en Poliomyelitis )-Hib-HepB-serie bestaan twee vaccinatieschema's: het standaardschema bij 3-5-12 maanden na een geldige maternale DKT-vaccinatie, en het aangepaste schema bij 2-3-5-12 maanden als er redenen zijn om van het standaardschema af te wijken. De primaire serie is bij deze schema's verschillend. Vanaf de revaccinatie op de leeftijd van 12 maanden zijn de vaccinatieschema's weer uniform. De schema's voor rotavirusvaccinatie en pneumokokkenvaccinatie blijven in beide situaties hetzelfde.

Tabel 7a
-RotaDKTP-Hib-HepBPneu
leeftijd standaardschemaaangepast schema 
binnen 48u na geboorte  HepB-0 (voor kinderen van moeders die HBsAG-drager zijn) 
6-9 wekenRota1 (min. leeftijd 6 wkn, max. leeftijd 12 wkn*** DKTP-Hib-HepB-X* (min. leeftijd 4 wkn**) 
 
interval 1 mnd
(min. 28 dgn)
 
interval 1 mnd
(min. 2 wkn**)
 
3 maandenRota2 (max. leeftijd 23 wkn 6 dgn)DKTP-Hib-HepB-1 (min. leeftijd 10 wkn)DKTP-Hib-HepB1Pneu-1 (min. leeftijd 4 wkn)
  
interval 2 mnd
(min. 6 wkn)

interval 2 mnd
(min. 2 wkn**)

interval 2 mnd
(min. 6 wkn)
5 maanden DKTP-Hib-HepB-2DKTP-Hib-HepB-2Pneu-2
  
interval 7 mnd
(min. 6 mnd)

interval 7 mnd
(min. 6 mnd)

interval 7 mnd
(min. 6 mnd)
12 maanden DKTP-Hib-HepB -3DKTP-Hib-HepB-3Pneu-3

*X = extra

**= vervroegd vaccineren en/of verkorte intervallen alleen op indicatie. Als er vervroegd gestart is of een verkort interval is gebruikt, dienen de volgende intervallen normaal (en niet meer verkort) te zijn

***= let op: Rota kent een max. toedieningsleeftijd. Rota1 wordt bij voorkeur zo vroeg mogelijk binnen 6-9 wkn en in principe niet later dan op de leeftijd van 12 wkn toegediend, in uitzonderingssituatie op max. 19 wkn, 6 dgn zodat Rota2 nog kan worden toegediend. Als Rota1 in nog grotere uitzonderingssituatie op de leeftijd van 20 wkn t/m 23 wkn, 6 dgn wordt toegediend, vervalt Rota2

Voordat de eerste DKTP-Hib-HepB-vaccinatie bij een zuigeling wordt gegeven, bepaalt de jeugdarts het meest optimale schema voor het kind. De jeugdarts geeft dit schema via DD JGZ Jeugdgezondheidszorg (Jeugdgezondheidszorg) door aan het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) (mits er toestemming voor is); de juiste indicatie moet worden aangeklikt. Dat is belangrijk voor de ondersteuning die Praeventis biedt bij het vaccineren middels het registreren, valideren en plannen van de vaccinaties, maar ook voor de evaluatie van het Rijksvaccinatieprogramma. Ook eventuele contra-indicaties voor RVP-vaccinaties worden geïnventariseerd en in het DD JGZ geregistreerd. Als het RIVM het schema niet weet, wordt het kind gepland voor een 2-3-5-12-maandenschema.

De jeugdarts of jeugdverpleegkundige vraag toestemming voor het toedienen van de vaccinaties én voor het uitwisselen van gegevens tussen de JGZ en het RIVM (RVP-richtlijn Informed consent-procedure).

Voorwaarden voor een standaard DKTP-Hib-HepB-schema

Het standaardschema kan gevolgd worden indien:

  • een geldige maternale DKT-vaccinatie is toegediend tijdens de zwangerschap (vanaf 13 + 0 weken). Zie hieronder voor de voorwaarden voor een geldige maternale DKT-vaccinatie;

    of

  • een met laboratoriumonderzoek bevestigde kinkhoestinfectie is doorgemaakt tijdens de zwangerschap, vanaf een zwangerschapsduur van 13 + 0 weken. Overleg zo nodig met de GGD Gemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst (Gemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst)-afdeling Infectieziektebestrijding.

Daarnaast gelden bovendien de volgende voorwaarden:

  • De moeder is geen HBsAg-drager (hepatitis B). Indien moeder wel HBsAg-drager is, moet de eerste vaccinatie (HepB-0) binnen 48 uur na de geboorte gegeven zijn. De leeftijd van 9 weken is de 'deadline' waarop de tweede vaccinatie (DKTP-Hib-HepB1) gegeven moet zijn (zie addendum Het vaccineren van baby's van moeders die hepatitis B-drager zijn).
  • De baby is minimaal 2 weken na de toediening van de maternale DKT-vaccinatie geboren.
  • De baby is niet prematuur (d.w.z. vanaf een zwangerschapsduur van 37 + 0 weken) geboren.
  • De moeder heeft geen verstoorde immuniteit, bijvoorbeeld door gebruik van afweeronderdrukkende medicatie of een onbehandelde hiv-infectie. Voldoende opbouw en overdracht van antistoffen kan dan namelijk niet worden gegarandeerd.
  • De baby heeft geen wisseltransfusie gehad, waardoor er (mogelijk) te veel maternale antistoffen verloren zijn gegaan. Een bloedtransfusie heeft geen klinisch relevante invloed op de hoeveelheid antistoffen bij het kind.
  • De kinderarts heeft niet aangegeven dat er bij de baby een verhoogde kans op gecompliceerde kinkhoest is of dat voldoende bescherming door maternale antistoffen niet gegarandeerd kan worden.

Mogelijke reden voor een aangepast DKTP-Hib-HepB-schema

De baby heeft foetale groeirestrictie (FGR) met placenta-insufficiëntie als meest waarschijnlijke oorzaak.

Sommige kinderen hebben foetale groeirestrictie (FGR). Op dit moment zijn er nog onvoldoende gegevens bekend over de kwaliteit van overdracht van maternale antistoffen via de placenta bij groeivertraagde kinderen. Met name in de gevallen waarbij er anamnestisch en/of uit de overdracht van de kinderarts/gynaecoloog aanwijzingen zijn voor een niet goed functionerende placenta in de zwangerschap, kan in overleg met ouders een 2-3-5-12-schema geadviseerd worden. Als de FGR tijdens de zwangerschap wordt ontdekt, buigt de groeilijn vaak af en krijgen ouders regelmatig echo's en ander onderzoek om de groei van de baby en het functioneren van de placenta in de gaten te houden.

Zie voor meer informatie over het vaccinatieschema ook Vragen over maternale vaccinatie.

7.4.1 De primaire serie DKTP-Hib-HepB-vaccinaties in het standaardschema

Na een geldige maternale DKT-vaccinatie kan de baby gevaccineerd worden op de leeftijd van 3 en 5 maanden (Gezondheidsraad 2018). Zie hierboven voor de voorwaarden voor een geldige maternale DKT-vaccinatie.

De eerste DKTP-Hib-HepB-vaccinatie wordt op de leeftijd van 3 maanden (13 weken) toegediend, samen met de tweede rotavirusvaccinatie. Indien nodig kan de vaccinatie vanaf de leeftijd van 10 weken worden toegediend. De eerste vaccinatie kan ook een paar weken worden uitgesteld als vaccinatie bij 13 weken niet mogelijk is. Het standaardinterval tussen de eerste en tweede vaccinatie is 2 maanden (9 weken), met een minimuminterval van 6 weken.

Wat te doen als de eerste DKTP-Hib-HepB-vaccinatie te vroeg wordt toegediend?

De vaccinatie wordt afgekeurd en het RIVM stuurt een verzoek de vaccinatie opnieuw te geven. Dan volgt het kind inmiddels wel een 2-3-5-12-schema, maar de reden voor een 3-5-12-schema is niet veranderd (bijvoorbeeld door vaccinatie van moeder tijdens de zwangerschap). Daarmee blijft de indicatie onveranderd. De vaccinatie op de leeftijd van 3 maanden is in principe een (herhaalde) eerste vaccinatie.

7.4.2 De primaire serie DKTP-Hib-HepB-vaccinaties in het aangepaste schema

Baby's die niet in aanmerking komen voor het standaardschema worden gevaccineerd volgens het aangepaste schema. De eerste vaccinatie in dit schema dient gegeven te worden als de baby 6, 7, 8 of 9 weken oud is, samen met de eerste rotavirusvaccinatie (Schurink-van 't Klooster 2016, De Greeff 2010, King 2010).

In uitzonderlijke situaties kan er, bij dit schema, voor gekozen worden om vervroegd te vaccineren. De DKTP-Hib-HepB-vaccinatie en pneumokokkenvaccinatie zijn geregistreerd en/of uitgebreid onderzocht bij kinderen van 6 weken en ouder. Beperkte onderzoeksgegevens laten zien dat op individuele indicatie de vaccins vanaf de leeftijd van 4 weken (28 dagen, geboortedag is dag 0) kunnen worden toegediend met voldoende effectiviteit en toereikende bescherming. De volgende vaccinaties in de primaire serie worden vervolgens wel met normale intervallen toegediend, niet met kortere intervallen dan normaal. Uitzonderlijke situaties zijn: 

  • verwondingen met risico op tetanus. Het gaat dan om diepe, uitgebreide en/of verontreinigde wonden, in het bijzonder ook tweede- en derdegraads brandwonden. Zie de LCI-richtlijn Tetanus en de bijlage Tetanus PEP bij kinderen;
  • een langdurige reis of een reis naar een risicoland met een verhoogde kans op infectieziekten.

Wat betreft kinkhoest is er tegenwoordig zelden een inhoudelijke reden voor een vroegere vaccinatie op de leeftijd van 4-6 weken (bij contact met kinkhoest is antibiotica aangewezen). Als er een lokale uitbraak van kinkhoest is, of als de baby direct contact heeft gehad met een kinkhoestpatiënt, is contact tussen JGZ en de IZB-afdeling van de GGD belangrijk. Mogelijk moeten andere ouders van jonge zuigelingen op het consultatiebureau of de kinderopvang geïnformeerd worden over het kinkhoestrisico, zie de LCI-richtlijn Kinkhoest.

Voor de tweede en derde vaccinatie is tijdigheid net zo van belang als voor de eerste vaccinatie. Het streefinterval is 1 maand tussen dosis 1 en dosis 2 en 2 maanden tussen dosis 2 en dosis 3 (zie tabel 7a). Dit langere interval wordt sinds 2020 gehanteerd. Soms is er een reden om dit interval te verkorten, bijvoorbeeld als het kind voor enkele weken naar het buitenland gaat. Het absolute minimuminterval is 2 weken. Tweemaal een interval van minder dan 4 weken is niet wenselijk. Als het interval korter is dan 2 weken, moet de vaccinatie opnieuw gegeven worden. De nieuwe vaccinatie wordt vervolgens 1 maand na de laatste vaccinatie gepland. Overleg bij twijfel altijd met de medisch adviseur van het RIVM.

Bijzondere situaties

Kind krijgt in de eerste levensmaanden kinkhoest

Het algemene advies is om het vaccinatieschema niet aan te passen. De afweerreactie van een jong kind op een kinkhoestinfectie is namelijk meestal niet heel goed. Daarom kunnen we er niet vanuit gaan dat een kind voldoende antistoffen heeft opgebouwd na een infectie. Bovendien wordt die afweerreactie ook negatief beïnvloed door eventuele behandeling (antibiotica) van het kind zelf, zeker als die vroeg tijdens de infectie wordt gestart. Zie ook RVP-nieuws 27-2-2024.

3-5-11(12)-schema gevolgd zonder vooraf een maternale DKT-vaccinatie

Een kind is van geboortecohort 2012 of recenter en is (in het buitenland) gevaccineerd volgens het 3-5-11(12)-maandenschema, terwijl de moeder in de zwangerschap geen kinkhoestvaccinatie gehad heeft. Dit kind is als zuigeling niet volgens het Rijksvaccinatieprogramma gevaccineerd. In Nederland komt veel kinkhoest voor en dat is voor een zuigeling een risicovolle ziekte. Daarom geven we een extra vaccinatie bij 2 maanden. Als het kind echter eenmaal een 3-5-11(12)-maandenschema heeft voltooid, is dat terugkijkend wel voldoende voor de opbouw van de basisimmuniteit. De JGZ zet hiervoor de DKTP-indicatie 3-5-11(12)-schema in het DD JGZ. Als dit schema via de welkomstbrief door ouders van een vestigerskind doorgegeven wordt, registreert het RIVM-regiokantoor dit schema met een voltooide basisimmuniteit in Praeventis. De ouders ontvangen dan geen uitnodiging meer voor een 4e vaccinatie.

Los poliovaccin

Tot 2016 gebruikten veel landen een vaccinatieschema tegen polio met alleen OPV (oraal poliovaccin). Er werd toen het trivalente OPV gebruikt wat beschermt tegen alle drie de poliovirustypes. Vanaf april 2016 is wereldwijd geswitcht naar een bivalent OPV met alleen bescherming tegen poliovirustype 1 en -type 3. Om ook bescherming tegen poliovirustype 2 (cVDPV2) te geven, adviseerde de WHO destijds om minimaal een dosis IPV (inactivated poliovaccin) aan het vaccinatieschema tegen polio toe te voegen. Sinds 2022 adviseert de WHO om bij een gecombineerd OPV/IPV-schema twee keer IPV te geven. Dit is alleen relevant voor landen waar nog OPV gebruikt wordt en is bedoeld om daar verspreiding van VDPV (vaccine-derived poliovirus) te voorkomen. Zie: WHO position paper 2022, Table 2 Summary of WHO Position Papers - Recommended Routine Immunizations for Children april 2024, Duizer 2024).

Als een kind in het buitenland vaccinaties tegen polio heeft gehad, vinden we dit kind in Nederland voldoende gevaccineerd voor de opbouw van de basisimmuniteit voor polio indien:  

  • er 3 doses OPV zijn gegeven met 1 of meer maanden interval (bijvoorbeeld 0, 1, 2 maanden) én het kind gevaccineerd is vóór 2016;
  • er 3 doses OPV zijn gegeven én minimaal 1 dosis IPV is gegeven als het kind gevaccineerd is vanaf 2016;
  • er 3 doses IPV zijn gegeven met vaccinaties op tijdstippen T = 0, 1 en 7 maanden;
  • er 4 doses poliovaccin zijn gegeven waarbij twee doses IPV zijn gevolgd door twee of meer doses bOPV.

In Praeventis worden dergelijke schema's niet goedgekeurd voor de basisimmuniteit. Als de jeugdarts echter expliciet aan PPG doorgeeft dat het kind basisimmuun is voor polio na het in het buitenland gevolgde vaccinatieschema (middels bijvoorbeeld duidelijke vermelding bij de vaccinatiestatus of als reactie op een terugkoppeling van PPG over een onjuiste toediening), wordt dit in overleg met de medisch adviseur in het dossier in Praeventis aangepast.

Revaccinatie ter bescherming tegen polio is na een basisserie niet nodig. Zie ook de LCI-richtlijn Polio.

Zie voor meer bijzondere situaties in het vaccinatieschema ook Vragen over maternale DKT-vaccinatie.

7.5 De primaire serie pneumokokkenvaccinaties

De eerste pneumokokkenvaccinatie wordt gegeven op de leeftijd van 3 maanden (13 weken), samen met de DKTP Difterie, Kinkhoest, Tetanus en Poliomyelitis (Difterie, Kinkhoest, Tetanus en Poliomyelitis )-Hib-HepB en de tweede rotavirusvaccinatie (Goldblatt 2010, Monge 2018, Palmu 2013). Ook voor pneumokokkenvaccinaties geldt dat later starten (3 maanden) en een groot interval van 2 maanden een betere immuniteit oplevert dan vroeg starten (2 maanden) en een kleiner interval van 1 maand (Spijkerman 2013). De vaccinatie kan vanaf de leeftijd van 6 weken gegeven worden met een absoluut minimum van 4 weken, bijvoorbeeld als er een uitzonderlijke situatie bestaat, zoals een geplande lange reis.

De tweede pneumokokkenvaccinatie wordt op de leeftijd van 5 maanden toegediend, met een streefinterval van 2 maanden. Als er een reden is om het interval te verkorten, is het absolute minimuminterval 6 weken. Als het interval nog korter is, dan moet de vaccinatie opnieuw gegeven worden. De extra vaccinatie moet gepland worden met het streefinterval vanaf de te vroeg gegeven vaccinatie. Overleg bij twijfel altijd met de medisch adviseur van het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu).

Voor de pneumokokkenvaccinatie wordt gebruikgemaakt van Vaxneuvance (PCV15).

7.6 De DKTP-Hib-HepB- en pneumokokken-revaccinatie

Na de primaire serie van 2 of 3 vaccinaties is het kind voorlopig voldoende beschermd. De revaccinatie, die bij voorkeur bij 12 maanden wordt gegeven, zorgt voor een meer langdurige bescherming. Vanaf geboortecohort 2024 is het streefinterval tussen de primaire serie en de revaccinatie 7 maanden. Bij de geboortecohorten t/m 2023 was het streefinterval tussen de primaire serie en de revaccinatie 6 maanden. Onderzoek heeft uitgewezen dat de antistofconcentratie hoger wordt naarmate het kind ouder is.

Voor de DKTP Difterie, Kinkhoest, Tetanus en Poliomyelitis (Difterie, Kinkhoest, Tetanus en Poliomyelitis )-Hib-HepB- en pneumokokken-revaccinatie geldt:

  • Het streefinterval tussen de laatste DKTP-Hib-HepB- en pneumokokkenvaccinaties van de primaire serie en de revaccinaties is 7 maanden.
  • Het minimuminterval tussen de laatste DKTP-Hib-HepB- en pneumokokkenvaccinaties van de primaire serie en de revaccinaties is 6 maanden.
  • Bij een te kort interval wordt een extra DKTP-Hib-HepB- en/of pneumokokkenvaccinatie geadviseerd 7 maanden (streefinterval) na de te vroeg gegeven vaccinatie.
  • Indien er dan nogmaals een te kort interval wordt gehanteerd, volgt er wel een terugkoppeling, maar wordt niet nogmaals een extra DKTP-Hib-HepB- en/of pneumokokkenvaccinatie geadviseerd.

Redenen voor een verkort interval kunnen zijn:

  • een kind dat langdurig naar het buitenland gaat en daar moeilijk aan vaccinaties kan komen;
  • een kind zonder vaste woon- of verblijfplaats;
  • een kind van een moeder die HBsAg-drager is en van wie het onzeker is of het kind de volgende keer, op het gewenste tijdstip, weer op het consultatiebureau komt.

7.7  Start vaccineren vanaf de leeftijd van 6 maanden tot de eerste verjaardag

Bij een start na 6 maanden wordt vrijwel geen bescherming tegen kinkhoest meer verwacht door maternale antistoffen. Een start op oudere leeftijd resulteert echter in het algemeen in een betere immuunrespons. Daarom geldt voor alle zuigelingen die vanaf 6 maanden tot de eerste verjaardag starten met vaccineren een T = 0-2-9-maandenschema (Plotkin 2018, Pichichero 2014). Zie tabel 7b hieronder.

Bij een start op de leeftijd van 6 maanden is de indicatie voor rotavirusvaccinatie vervallen, omdat dit vaccin een maximale toedieningsleeftijd heeft van 23 weken en 6 dagen.

Tabel 7b. Vaccinatieschema's bij een start vanaf de leeftijd van 6 maanden tot de eerste verjaardag, ongeacht of de moeder maternale DKT Difterie Kinkhoest en Tetanus (Difterie Kinkhoest en Tetanus )-vaccinatie heeft gehad.
leeftijdDKTP Difterie, Kinkhoest, Tetanus en Poliomyelitis (Difterie, Kinkhoest, Tetanus en Poliomyelitis )-Hib-HepBPneu
T = 0 mnd*DKTP-Hib-HepB1
(min. leeftijd 6 mnd)
Pneu-1
(min. leeftijd 6 mnd)
 
interval 2 mnd
(min. 6 wkn**)

interval 2 mnd
(min. 6 wkn**)
T = 2 mndDKTP-Hib-HepB-2Pneu -2
 
interval 7 mnd
(min. 6 mnd**)

interval 7 mnd
(min. 6 mnd**)
T = 9 mndDKTP-Hib-HepB-3Pneu-3

*T = 0 is moment van eerste vaccinatie.

**Vervroegd vaccineren en/of verkorte intervallen alleen op indicatie. Als er vervroegd gestart is of een verkort interval is gebruikt, dienen de volgende intervallen juist (en niet weer verkort) te zijn.

7.8 De BMR- en MenACWY-vaccinatie voor zuigelingen en peuters

Deze vaccinaties worden in de regel op de leeftijd van 14 maanden gegeven met een spreiding van 12 tot 15 maanden. Tijdigheid is van belang in verband met een onverhoopte mazelenepidemie. Als de vaccinaties voor de eerste verjaardag gegeven zijn, dan moeten ze na de leeftijd van 1 jaar opnieuw gegeven worden.

In aanvulling op het reguliere RVP krijgen asielzoekerskinderen een BMR Bof, Mazelen en rodehond (Bof, Mazelen en rodehond )-0 op leeftijd van 9 maanden (dit is van belang zolang zij nog geen status hebben) (zie addendum Asielzoekerskinderen en het RVP).

Binnen het RVP mag de BMR-vaccinatie vanaf de leeftijd van 6 maanden gegeven worden als daarvoor een reizigersindicatie of een andere specifieke indicatie bestaat (zie addendum Vaccinaties voor kinderen die reizen naar het buitenland).

BMR-vaccin is een levend verzwakt vaccin. Er wordt gebruikgemaakt van het vaccin M-M-RVaxPro. Voor contra-indicaties, zie hoofdstuk 5 Contra-indicaties.

Voor de MenACWY-vaccinatie bij peuters wordt vanaf 1 augustus 2022 het vaccin MenQuadfi gebruikt. Voor die datum werd het vaccin Nimenrix gebruikt. Beide vaccins zijn geïnactiveerde vaccins. Voor kinderen vanaf de leeftijd van 12 maanden is één dosis (0,5 ml) voldoende voor het bereiken van de basisimmuniteit (Ishola 2015).

Extra MenACWY-vaccinaties voor reizen mogen niet vanuit het RVP worden gegeven. Kinderen met een cochleair implantaat mogen op indicatie van de behandelaar vóór de eerste verjaardag een extra MenACWY-vaccinatie krijgen vanuit het RVP. Hiervoor dient het vaccin Nimenrix gebruikt te worden. Zie het addendum Prematuren en kinderen met specifieke aandoeningen.

7.9 De BMR2-vaccinatie tussen 2,5 en 3,5 jaar

De BMR2 wordt met ingang van 2025 aangeboden aan kinderen tussen de 2,5 en 3,5 jaar oud. Dit was voorheen op 9-jarige leeftijd. Zie voor achtergrondinformatie over deze wijziging het addendum Achtergrondinformatie schemawijzigingen 2025.

Voor de uitvoering van dit vaccinatiemoment is gekozen om een bandbreedte aan te houden tussen de 2 jaar en 6 maanden tot en met 3 jaar en 6 maanden (dus vóórdat het kind 3 jaar en 7 maanden is.

Als het moment van contact standaard aan de uiterste rand van de bandbreedte wordt gepland (bij 3,5 jaar), bestaat het risico dat de vaccinatie bij het verzetten van de afspraak buiten de bandbreedte valt. In geval van ziekte is daar niet zoveel aan te doen. Bij vakanties is het advies om eerder in te plannen, om zoveel mogelijk binnen de bandbreedte te blijven.

De BMR2-vaccinatie biedt een tweede kans voor opbouw van antistoffen en is met name bedoeld om primair vaccinfalen van de BMR1 te ondervangen. De 'setpoint' van de immuniteit wordt met name door de eerste prik bepaald en de afname (waning) wordt weinig beïnvloed door volgende BMR Bof, Mazelen en rodehond (Bof, Mazelen en rodehond )-vaccinaties. Maar onderzoek laat zien dat kinderen die wel goed gereageerd hebben op de eerste BMR ook baat hebben bij een tweede BMR. De tweede vaccinatie geeft een verbetering (boosting) van de onderliggende cellulaire immuniteit. Hiermee wordt de duur van bescherming verlengd. Iets wat op individueel niveau wel kan verschillen (Davidkin 1998, Mollema 2013, Kaaijk 2020).

Het minimuminterval tussen BMR1 en BMR2 is 4 weken. Dit interval is alleen bedoeld voor kinderen van 3,5 jaar en ouder die nog geen BMR1 gehad hebben. In uitzonderlijke gevallen geldt dit ook voor jongere kinderen zoals bijvoorbeeld bij uitzetting of emigratie, of bij de beoordeling van vaccinatiestatussen van kinderen die Nederland binnenkomen. In andere gevallen is het de bedoeling de streefleeftijd aan te houden.

Vanaf 2 jaar heeft het de voorkeur om te vaccineren in de arm. De BMR2 zal toegediend gaan worden in de rechterarm. Een BMR-vaccinatie mag intramusculair maar ook subcutaan gegeven worden.

Inhaalcampagne

Doordat deze wijziging een vervroeging van het vaccinatiemoment betreft, is een inhaalcampagne nodig om ook de tussenliggende geboortecohorten de BMR2-vaccinatie te geven. De inhaal BMR2 moet minimaal twee keer per kalenderjaar worden aangeboden. Geboortecohort 2017 t/m 2021 maken deel uit van de inhaalcampagne die is gestart in 2025 en afgerond wordt in 2027. In tabel 7c staat welk geboortecohort in welk jaar de BMR2-vaccinatie aangeboden krijgt of heeft gekregen.

Tabel 7c. Inhaalcampagne
geboortecohortjaar van inhalen BMR2wordt in dit jaarop welke manier
201720258 jaar(kleinschalige) groepsvaccinaties of individuele consulten
201820268 jaar(kleinschalige) groepsvaccinaties of individuele consulten
201920278 jaar(kleinschalige) groepsvaccinaties of individuele consulten
202020277 jaar(kleinschalige) groepsvaccinaties of individuele consulten
20212026 (uitloop naar 2027)5 jaarmet DKT Difterie Kinkhoest en Tetanus (Difterie Kinkhoest en Tetanus )-booster tijdens nieuw te vormen moment van contact*

*= de DKT-booster kan pas toegediend worden vanaf 5 jaar. Aan het begin van 2026 is een groot deel van dit startcohort nog 4 jaar. Houd hier rekening mee met plannen.

7.10 De DKT-boostervaccinatie voor 5-jarigen

Het geboortecohort 2021 is in 2026 het eerste geboortecohort dat een DKT Difterie Kinkhoest en Tetanus (Difterie Kinkhoest en Tetanus )-booster tussen de 5e en 6e verjaardag zal krijgen in plaats van een DKTP Difterie, Kinkhoest, Tetanus en Poliomyelitis (Difterie, Kinkhoest, Tetanus en Poliomyelitis )-booster op de leeftijd van 4 jaar. Zie voor achtergrondinformatie het addendum Achtergrondinformatie schemawijzigingen 2025.

Het startcohort voor de DKT-vaccinatie (2021) krijgt in 2026 naast de DKT-vaccinatie ook de BMR2-inhaalvaccinatie aangeboden. Deze vaccinaties mogen op hetzelfde moment toegediend worden, al mag de DKT-vaccinatie alleen worden gegeven wanneer aan de daarvoor geldende regels wordt voldaan (minimaal 4 jaar na de laatste DKTP-Hib-HepB-vaccinatie van de basisimmuniteit en niet vóór de 5e verjaardag). 

Let op: afhankelijk van de planning die een organisatie aanhoudt voor de DKT-vaccinatie, zal een deel van het startcohort deze pas in 2027 krijgen aangeboden. Deze kinderen mogen in 2027 hun BMR Bof, Mazelen en rodehond (Bof, Mazelen en rodehond )-inhaalvaccinatie krijgen, ook al staat in de overzichten dat dit cohort de BMR-inhaalvaccinatie in 2026 krijgt; ze hoeven dus niet eerder te worden uitgenodigd voor de BMR-inhaalvaccinatie.

7.11 De HPV-vaccinatie

De HPV-vaccinatie wordt aan zowel meisjes als jongens aangeboden in het jaar waarin zij 10 worden. Het vaccinatieschema bestaat uit 2 doses. In principe wordt de volledige serie van 2 HPV-vaccinaties afgerond binnen 6 tot 12 maanden nadat met de eerste vaccinatie is gestart. Als de jongere/ouders niet reageren op de eerste uitnodiging, ontvangen zij na een half jaar nog éénmaal een uitnodiging. Als de jongere dan wel gevaccineerd wordt en deze vaccinatie wordt met persoonsgegevens geregistreerd bij het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) (zie RVP-richtlijn Informed consent-procedure), volgt een half jaar later een uitnodiging voor de volgende vaccinatie.

Voor alle leeftijden geldt een T = 0-6-maandenschema. Jongeren die 2 vaccinaties ontvangen hebben met een interval kleiner dan 150 dagen, komen in aanmerking voor een 3e dosis volgens een T = 0-1-6-maandenschema. De vaccinatieschema's met intervallen staan hieronder in tabel 7c.

Tabel 7d. HPV-vaccinatieschema
momentalle leeftijdenmensen ooit gestart met 0-1-6-schema, immuungecompromitteerde mensen of mensen met hiv
T = 0*HPV1HPV1
 interval 6 maanden
(min: 5 maanden = 150 dagen**)
interval 1 maand
(min: 3 weken = 21 dagen**)
T = 1 maandHPV2
interval 5 maanden
(min: 4 maanden = 120 dagen**)
T = 6 maandenHPV2HPV3

*T = 0 is het moment van 1e vaccinatie

**Verkorte intervallen alleen in uitzonderingsgevallen. Gebruik bij voorkeur de streefintervallen voor een optimale werking.

De Gezondheidsraad beoordeelde (in haar advies uit 2022) dat 2 doses HPV-vaccinatie met een 0-6-maandenschema ook voor mensen vanaf 15 jaar voldoende bescherming biedt. Echter, Cervarix is vanaf de leeftijd van 15 jaar geregistreerd voor 3 doses met een T = 0-1-6-maandenschema. Officieel is een 2-dosesschema daarmee off-label (gebruik van een geneesmiddel buiten de geregistreerde toepassing), maar dat wordt overruled door deze landelijke richtlijn. Het is daarom niet nodig om informed consent voor het toedienen van de vaccinatie te verkrijgen en een artsenverklaring in te vullen.

Er is voldoende wetenschappelijke onderbouwing dat een 2-dosesschema genoeg bescherming biedt, behalve bij bepaalde risicogroepen.

Een extra vaccinatie wordt overwogen bij:

  • Immuungecompromitteerde personen en personen met hiv (ook met een normaal CD4-getal) komen wat de HPV-vaccinatie betreft in aanmerking voor een 3-dosesschema (T = 0-1-6-maandenschema) in lijn met het advies van de WHO en de JCVI. Zie ook LCI-factsheet HPV-vaccinatie.
  • Bepaalde immuungemedieerde aandoeningen zijn, onafhankelijk van medicijngebruik, een indicatie voor een 3-dosesschema. Het betreft systemische lupus erythematodes (SLE) en inflammatory bowel disease (IBD). Zie voor meer informatie de LCI-handleiding Vaccinatie bij chronisch inflammatoire aandoeningen.

Zie paragraaf Kinderen, jongeren en zwangeren onder behandeling van een specialist voor algemene informatie.

7.12 De MenACWY-vaccinatie en DTP-booster voor tieners

De MenACWY-vaccinatie wordt door de JGZ Jeugdgezondheidszorg (Jeugdgezondheidszorg)-organisatie aangeboden in het jaar waarin een tiener 14 jaar wordt. Als de tiener/ouders niet reageren op de eerste uitnodiging, ontvangen zij een half jaar na de eerste uitnodiging een herhaalde uitnodiging. Voor deze leeftijdsgroep wordt het vaccin Nimenrix gebruikt.

Bij de uitnodiging voor de MenACWY-vaccinatie wordt nog eenmaal een extra herinnering gestuurd voor RVP Rijksvaccinatieprogramma (Rijksvaccinatieprogramma)-vaccinaties die volgens het registratiesysteem van het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) gemist zijn. De MenACWY-vaccinatie kan tegelijk toegediend worden met andere nog ontbrekende RVP-vaccinaties.

NB. Let op en check informed consent voor gegevensuitwisseling, het kan zijn dat niet alle eerder toegediende vaccinaties bekend zijn bij het RIVM.

Op basis van het advies van de Gezondheidsraad is de DTP Difterie, Tetanus en Poliomyelitis (Difterie, Tetanus en Poliomyelitis)-booster met ingang van 2025 verschoven van 9 jaar naar 14 jaar. Voor polio zijn, voor een langdurige bescherming tegen een verlamming, de drie doses uit de basisimmuniteit-serie voldoende. Het is echter onduidelijk of deze drie doses ook voldoende beschermen tegen infectie en virusoverdracht. Omdat er geen los vaccin met alleen een difterie- en tetanus-component beschikbaar is, adviseert de Gezondheidsraad om in het jaar dat een kind 14 jaar wordt, een DTP-booster te geven en zo ook de vierde dosis polio te geven. Het cohort 2016 zal in 2030 het eerste cohort zijn wat de DTP-booster bij 14 jaar gaat krijgen, tegelijk met de MenACWY-vaccinatie. In 2026 zal de DTP-booster niet in het standaard RVP-schema aangeboden worden. Zie voor achtergrondinformatie het addendum Achtergrondinformatie schemawijzigingen 2025.

Inhalers, vestigers en asielzoekerskinderen kunnen in 2026 wel in aanmerking komen voor een DTP-boostervaccinatie. Zie hiervoor hoofdstuk 10 over inhaalschema's.

De vaccinaties op tienerleeftijd worden meestal tijdens een zogenaamde groepsvaccinatie gegeven. Het moment daarvan wordt door de JGZ-organisatie bepaald in overleg met het RIVM-regiokantoor. Om voldoende gelegenheid te bieden voor vaccinatie, moet een kind meerdere vaccinatiemomenten binnen één jaar aangeboden krijgen. Voor de HPV Humaan Papillomavirus (Humaan Papillomavirus )-vaccinatie, die wordt aangeboden in het jaar waarin een kind 10 jaar wordt, en de MenACWY-vaccinatie, die wordt aangeboden in het jaar waarin een kind 14 jaar wordt, moet er minimaal twee keer per kalenderjaar een passend vaccinatieaanbod worden gedaan. Daarnaast moeten er mogelijkheden zijn voor een individuele inhaalvaccinatie.

Bijzondere situatie groepsvaccinatie DTP

Als een kind, buiten het RVP, alleen DTP-vaccinaties heeft gehad, en dus nooit een DKTP Difterie, Kinkhoest, Tetanus en Poliomyelitis (Difterie, Kinkhoest, Tetanus en Poliomyelitis )-(Hib)-(HepB), wordt de DTP-revaccinatie gedoogd en volgt er vanuit RIVM-PPG geen terugkoppeling op deze onterechte DTP. 'Alle' kinderen krijgen immers een DTP. Daarom mogen deze kinderen een laatste DTP-vaccinatie binnen het RVP ontvangen.

In 2026 t/m 2029 is er geen cohort die de DTP-vaccinatie in een groepssessie krijgt aangeboden. Groepsvaccinaties voor de DTP-vaccinatie zullen pas in 2030 weer plaatsvinden als cohort 2016 de DTP-vaccinatie aangeboden krijgt. Daarom wordt deze regel pas in 2030 weer relevant.