Door naar volgend hoofdstuk

15.1 Tijdig vaccineren van prematuren

Te vroeg geboren baby’s hebben een verhoogd risico op infectieziekten (Mahieu 2009, Buijs 2012, Furck 2010), dus tijdig vaccineren is belangrijk. Tijdig vaccineren van prematuren gebeurt volgens de chronologische leeftijd en niet volgens de gecorrigeerde leeftijd. Voor kinderen die in het ziekenhuis hebben gelegen en inmiddels thuis zijn, is een goede overdracht van kinderarts naar jeugdarts belangrijk om onnodig uitstel van vaccinatie te voorkomen. Ook bij te vroeg geboren baby’s mag de eerste vaccinatie vanaf de leeftijd van 4 weken worden gegeven, indien daarvoor een indicatie is.

Te vroeg geboren baby’s hebben vaak een indicatie voor vaccinatie onder monitorbewaking, omdat er in de eerste 24-72 uur na vaccinatie cardiorespiratoire incidenten kunnen optreden (Buijs 2012, Meinus 2012, Clifford 2011). Hierbij gelden de volgende adviezen, waarvan op basis van klinische argumenten kan worden afgeweken.

  • < 30+0 weken AD (amenorroeduur): vaccinatie voor ontslag of heropname voor monitoring gedurende 24 uur;
  • 30+0 tot en met 31+6 weken AD: vaccinatie voor ontslag, voor zover mogelijk; heropname voor monitoring afhankelijk van risicofactoren in de voorgeschiedenis (geboortegewicht < 1500 gr, bronchopulmonale dysplasie en/of ernstige ademhalingsregulatie problemen);
  • ≥ 32+0 weken AD: vaccinatie op het consultatiebureau.


Alleen indien er zich tijdens de eerste vaccinatie (normaliter een DKTPDifterie, kinkhoest, tetanus, polio-Hib-HepB-vaccin) een cardiorespiratoir incident heeft voor gedaan, wordt een geplande opname voor de tweede vaccinatie gepland. Bij een tweede vaccinatiemoment wordt normaliter de DKTP-Hib-HepB2 en Pneu1 gegeven.

Zoals beschreven in paragraaf 6.1 van de RVP-richtlijn Vaccineren van Prematuren kan de kinderarts kiezen om de eerste pneumokokkenvaccinatie toch op 2 maanden te geven, omdat er dan vaak monitorbewaking wordt geadviseerd. De tweede Pneu kan dan bij 5 maanden worden toegediend. Zie voor meer achtergrondinformatie de RVP-Richtlijn Vaccineren van Prematuren.

Zie voor de indicatie voor een 2-3-5-11-schema voor prematuur geboren kinderen hoofdstuk 7, paragraaf 7.1 De indicatiestelling.

15.2 Aangepaste vaccinatieschema’s voor kinderen met specifieke aandoeningen

Voor een aantal aandoeningen is een apart vaccinatieschema opgesteld, dat gedeeltelijk het RVPRijksvaccinatieprogramma betreft. Het gaat om:

  • hypo- of asplenie bij kinderen (LCI-richtlijn);
  • kinderen na stamceltransplantatie;
  • kinderen met een cochleair implantaat.

In de praktijk neemt de specialist contact op met de medisch adviseur van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu over een kind met een dergelijke aandoening. Vervolgens geeft de medisch adviseur (via de stafarts) aan de jeugdarts door hoe het vaccinatieschema er voor het betreffende kind uitziet. Voor meer informatie over deze (re)vaccinatieschema’s kunt u bij de medisch adviseurs van het RIVM terecht.