Door naar volgend hoofdstuk

5.1 Absolute contra-indicaties

Voor het stellen van een contra-indicatie voor een vaccinatie moet een individuele afweging gemaakt worden. Slechts zelden is er een reden om in het geheel niet te vaccineren met een van de vaccins binnen het RVP Rijksvaccinatieprogramma (Rijksvaccinatieprogramma) in verband met een absolute contra-indicatie. Voor alle vaccins gelden als absolute contra-indicaties:

  • een bevestigde ernstige allergie voor een van de bestanddelen van het vaccin;
  • een aangetoonde ernstige en/of onmiddellijke (binnen 4 uur optredende) allergische reactie na een eerdere toediening van hetzelfde vaccin.

Met 'ernstig' worden geobjectiveerde major symptomen bedoeld zoals acute dyspneu, hypotensie met snelle pols of gegeneraliseerde huidreactie met urticaria/angio-oedeem. Met 'onmiddellijk' wordt binnen 4 uur bedoeld. Ook een acute (niet ernstige) gegeneraliseerde voor allergie verdachte huidreactie (zoals jeukend erytheem) is een contra-indicatie. Zie ook de handreiking Beoordelen van een voor allergie verdachte reactie na COVID-19-vaccinatie voor uitleg over major en minor symptomen. Binnen het RVP zijn minor symptomen net zoals voor COVID-19-vaccinatie zeer zelden een contra-indicatie.

Let op: zie paragraaf 5.3.1 voor aanvullende absolute contra-indicaties bij rotavirusvaccinatie.

5.2 Relatieve contra-indicaties

Bij relatieve contra-indicaties bij het kind moet overwogen worden waar het grootste risico ligt: bij de vaccinatie of bij de door deze vaccinatie te voorkomen infectieziekte. Relatieve contra-indicaties zijn:

  • allergie en specifieke (subcutane) immunotherapie (desensibilisatietherapie)
  • anesthesie
  • biologicals en andere afweerremmende medicatie tijdens de zwangerschap en vaccinaties van het kind
  • bloedproducten, immunoglobulinen en vaccinaties
  • epilepsie
  • immuunstoornissen
  • koorts
  • stollingsstoornissen
  • zwangerschap

Allergie en specifieke (subcutane) immunotherapie (desensibilisatietherapie)

Allergeen-specifieke subcutane immunotherapie (SCIT) wordt gegeven aan mensen vanaf 5 jaar. Er wordt in principe een interval aangehouden van 7 dagen tussen een sc injectie met allergeenextract (boompollen, graspollen, huisstofmijten, wespengif, bijengif) en een vaccinatie. Bewijs of dit nodig is ontbreekt. Als iemand kort van tevoren gevaccineerd is, is de kans op bijwerkingen door SCIT theoretisch verhoogd, maar het is meestal wel mogelijk de SCIT 7 dagen uit te stellen. Als iemand SCIT gehad heeft, wordt een interval van 7 dagen gehanteerd met de vaccinatie, tenzij het echt niet anders kan, zoals bijvoorbeeld bij postexpositieprofylaxe (PEP) vanwege een tetanusrisico. Daarnaast wordt er in principe pas gevaccineerd als eventuele klachten van de SCIT verdwenen zijn. Sommige mensen zijn na SCIT suf of hebben last van algehele malaise.

Sublinguale immunotherapie (SLIT) geeft veel minder bijwerkingen en het risico op een ernstige reactie is na SLIT niet verhoogd. SLIT mag daarom zonder onderbreking worden doorgebruikt bij zowel levend verzwakte als geïnactiveerde vaccins. Ook is de verwachting dat de immuunrespons bij gebruik van SLIT normaal zal zijn.

Anesthesie

Een geplande medische ingreep onder volledige anesthesie kan een reden zijn om een vaccinatie uit te stellen. Het in tabel 5a genoemde landelijke advies is opgesteld in overleg met UMC Universitair Medisch Centrum (Universitair Medisch Centrum) Utrecht/Wilhelmina Kinderziekenhuis. Het wordt echter niet overal gehanteerd. Daarom blijft het aanbevolen om in geval van een medische ingreep onder anesthesie bij het ziekenhuis te informeren welk interval gehanteerd moet worden. Na de medische ingreep hoeft geen interval gehanteerd te worden, zie tabel 5a. Als er in verband met de ingreep plasma of immunoglobuline is toegediend, dan wordt bij vaccinatie met een levend verzwakt vaccin wel een interval aangehouden, zie tabel 5b.

Tabel 5a. Interval tussen vaccinatie en anesthesie bij electieve ingrepen
soort vaccininterval tussen vaccinatie en anesthesieinterval tussen anesthesie en vaccinatie
geïnactiveerd vaccin (D(K)TP, DKTP Difterie, Kinkhoest, Tetanus en Poliomyelitis (Difterie, Kinkhoest, Tetanus en Poliomyelitis ), Hib, MenACWY, HepB, Pneu, HPV Humaan Papillomavirus (Humaan Papillomavirus ))48 uurgeen (tenzij sprake is van een andere (relatieve) contra-indicatie)
levend verzwakt vaccin (BMR en rota)2 wekengeen (tenzij sprake is van een andere (relatieve) contra-indicatie)

Deze intervallen worden geadviseerd om de volgende redenen:

  • De mogelijke bijwerkingen van de vaccinatie zijn al verdwenen waardoor er geen verwarring op kan treden met eventuele pre- of postoperatieve complicaties.
  • Tevens wordt de kans beperkt dat door ziekte de ingreep moet worden uitgesteld.
  • Het is prettiger om geen anesthesie en een medische ingreep te moeten ondergaan tijdens een periode waarin het kind zich niet lekker voelt door mogelijke vaccinatiebijwerkingen.

Biologicals (o.a. infliximab) en andere afweerremmende medicatie tijdens de zwangerschap en vaccinaties van het kind

Momenteel wordt, in samenwerking met de NVK, een definitief document voorbereid over het gebruik van immuunsuppressieve medicatie, zoals biologicals, tijdens de zwangerschap en de gevolgen daarvan voor het RVP Rijksvaccinatieprogramma (Rijksvaccinatieprogramma) van het kind. De contra-indicaties voor de toediening van het rotavirusvaccin, levend verzwakt vaccin, staan beschreven in paragraaf 5.3. De contra-indicaties voor de toediening van het rotavirusvaccin, levend verzwakt vaccin, staan beschreven in paragraaf 5.3. De contra-indicatie voor een vervroegde BMR Bof, Mazelen en rodehond (Bof, Mazelen en rodehond )-vaccinatie (levend verzwakt vaccin) staan beschreven in de paragraaf Levend verzwakte vaccins en immuunsuppressie van het addendum Vaccinatie en afweerstoornissen. In dit addendum staan ook handvatten voor het bepalen van het DKTP-schema indien de moeder afweerremmende medicatie in de zwangerschap heeft gebruikt.

Bloedproducten, immunoglobulinen en vaccinaties

Zie tabel 5b hieronder na toediening van bloedproducten of immunoglobulinen.

Tabel 5b. Interval tussen vaccin en toediening van bloedproducten of immunoglobuline
als eerste toegediendals tweede toegediendnoodzakelijk interval
bloedproductgeïnactiveerd vaccingeen
geïnactiveerd vaccinbloedproductgeen
levend verzwakt vaccinbloedproduct2 weken
bloedproductlevend verzwakt vaccin, toediening sc of iminterval in overleg met medisch adviseur bepalen
bloedproductlevend verzwakt vaccin, toediening oraal*geen
normaal immunoglobulinelevend verzwakt vaccin, toediening sc of im3 maanden
normaal immunoglobulinelevend verzwakt vaccin, toediening oraal*geen
RSV-immunoglobuline (passieve immunisatie tegen RS-virus: nirsevimab (Beyfortus)) intramusculairlevend verzwakt of geïnactiveerd vaccingeen
anti-D immuunglobulinegeïnactiveerd vaccingeen

*Rotavirusvaccin

Epilepsie

Kinderen

In geval van epilepsie kan er gevaccineerd worden als het kind goed ingesteld is met anti-epileptica of als het kind al geruime tijd aanvalsvrij is. De jeugdarts dient hiervan overtuigd te zijn en neemt hierover zo nodig contact op met de behandelend arts. Mogelijk dient de onderhoudsmedicatie tijdelijk te worden aangepast met het oog op mogelijke bijwerkingen. Voor kinderen die bekend zijn met epilepsie kan koorts een aanval uitlokken. Overweeg overleg met de behandelaar.

Volwassenen

Bij sommige patiënten met epilepsie kan een vaccinatie of koorts na vaccinatie een convulsie uitlokken. De meerderheid van deze patiënten heeft van diens behandelaar een protocol wat te doen als dit optreedt. Personen die echter behandeld worden met anti-epileptica, bekend zijn met herhaalde convulsies na vaccinatie of koorts én die van hun behandelaar geen protocol hebben voor wat zij moeten doen bij koorts, stress of vaccinatie moeten eerst contact opnemen met hun behandelaar. Bij deze patiënten kan de vaccinatie gepland worden als ze hun behandelaar geconsulteerd hebben over instructies rond het vaccinatiemoment.

Alle overige patiëntengroepen hebben ofwel een dermate laag of afwezig risico (bijvoorbeeld bij een eenmalige koortsconvulsie op kinderleeftijd) ofwel ze zijn vanwege het risico al goed geïnstrueerd. Bij deze patiëntengroepen kan op reguliere wijze een vaccinatiemoment gepland worden.

Immuunstoornissen

De immuunrespons na vaccinatie met een geïnactiveerd vaccin is mogelijk verminderd bij ernstige immuunstoornissen, ziekte, bestraling of behandeling met bijvoorbeeld corticosteroïden of cytostatica. Bij het vaccineren met levend verzwakt vaccin, rotavirusvaccin of BMR-vaccin, is er een risico dat het kind het gerepliceerde vaccinvirus niet kan klaren en er een infectie met het vaccinvirus wordt doorgemaakt. Zie voor meer informatie het addendum Vaccinatie en afweerstoornissen.

Als een gezond kind een BMR-vaccinatie moet krijgen terwijl een ander persoon in het gezin een chemokuur ondergaat, kan de BMR-vaccinatie gewoon worden toegediend. Van BMR-vaccinvirussen zijn geen aanwijzingen voor transmissie (Greenbook). Van varicellavaccinvirus bestaat in de literatuur wel casuïstiek over transmissie naar een immuungecompromitteerd persoon. Zie ook factsheet Waterpokkenvaccinatie en LCI-richtlijn Waterpokken.

Als een gezonde zuigeling een rotavirusvaccinatie moet krijgen, terwijl een ander persoon in het gezin immuungecompromitteerd is, kan het rotavirusvaccin gewoon toegediend worden. Voor immuungecompromitteerde personen is het belangrijk om direct contact met de feces van een gevaccineerd kind te vermijden gedurende 14 dagen na vaccinatie.

Koorts

Als een kind, tiener of zwangere te ziek is, kan een vaccinatie beter uitgesteld worden. Koorts is daarvoor een graadmeter. Bij een temperatuur van 38,5 °C of hoger wordt de vaccinatie uitgesteld. Let op, voor de RSV-immunisatie geldt een afkapwaarde van 38,0 °C, zie ook paragraaf 3.3 van het addendum RSV-immunisatie baby's).

Stollingsstoornissen

Zowel aangeboren als verworven (door medicatie) verhoogde bloedingsneiging is meestal een contra-indicatie voor intramusculair vaccineren in verband met een verhoogde kans op spierbloedingen, maar niet altijd. Zie onderstaande tabel. Als intramusculair vaccineren niet kan, mag subcutaan gevaccineerd worden, ook als de bijsluiter anders aangeeft, met uitzondering van de RSV-immunisatie. De RSV-immunisatie is niet geregistreerd voor subcutane toediening (zie ook paragraaf 5.3 van het addendum RSV-immunisatie baby's). Subcutane toediening geeft wel meer kans op lokale reacties. Bij het gebruik van coumarinederivaten (ook wel vitamine K-antagonisten, VKA genoemd) als geneesmiddel, moeten de instructies van de trombosedienst worden opgevolgd, voor zover aanwezig.

Omdat binnen het RVP steeds vaker adolescenten en volwassenen gevaccineerd worden, is het goed om onderscheid te maken in regels voor kinderen en regels voor volwassenen. Het beleid voor volwassenen van 18 jaar en ouder is afgestemd met het Landelijk Coördinatiecentrum Reizigersadvisering (LCR). Voor meer informatie en de protocollen bij het vaccineren bij stollingsstoornissen kan contact worden opgenomen met de afdeling Reizigers van de GGD Gemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst (Gemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst). Bij vaccinatie van kinderen onder de 1 jaar dient altijd overlegd te worden met de behandelend arts.

tabel 5c. Stollingsstoornissen
stollingsstoornis18 jaar en ouder1 t/m 17 jaar
aangeboren stollingsstoornis; hemofilie, Z van Von WillebrandSCSC
verworven stoornis door antistollingsmedicatie: coumarinederivaten (vit.K-antagonisten; VKA)aIM: bij stabiele INR en vaccinvolume ≤ 1 ml; 2 min stevig afdrukkenSC, tenzij trombosedienst anders instrueert
SC: bij stabiele INR en vaccinvolume > 1 ml
SC: bij instabiele INR
verworven stoornis door antistollingsmedicatie: laagmoleculairgewichtheparinebIM: bij vaccinvolume ≤ 1 ml en preventieve dosering; 2 min stevig afdrukkenIM: bij vaccinvolume ≤ 1 ml en preventieve dosering; 2 min stevig afdrukken
SC: bij vaccinvolume > 1 ml en preventieve doseringSC: bij vaccinvolume > 1 ml en preventieve dosering
SC: vaccinvolume ≤ 1 ml en therapeutische doseringSC: vaccinvolume ≤ 1 ml en therapeutische dosering
SC: vaccinvolume > 1 ml en therapeutische doseringSC: vaccinvolume > 1 ml en therapeutische dosering
verworven stoornis door antistollingsmedicatie: trombocytenaggregatieremmers (TAR)cIM: bij vaccinvolume ≤ 1 ml; 2 min stevig afdrukkenIM: bij vaccinvolume ≤ 1 ml; 2 min stevig afdrukken
SC: bij vaccinvolume > 1 mlSC: bij vaccinvolume > 1 ml
trombopathie of trombopenie (aantal < 50 x 109/l)overleg met behandelend specialistoverleg met behandelend specialist
direct werkende antistollingsmedicatie (DOAC)dIM: bij vaccinvolume ≤ 1 ml; 2 min stevig afdrukkenIM: bij vaccinvolume ≤ 1 ml; 2 min stevig afdrukken
SC: bij vaccinvolume > 1 mlSC: bij vaccinvolume > 1 ml
combinaties van antistollingsmiddelen: TAR + DOACIM: interval tussen DOAC en vaccinatie is ≥ 6 uur en vaccinvolume ≤ 1 ml; 2 min stevig afdrukkenIM: interval tussen DOAC en vaccinatie is ≥ 6 uur en vaccinvolume ≤ 1 ml; 2 min stevig afdrukken
SC: bij vaccinvolume > 1 mlSC: bij vaccinvolume > 1 ml
IM: interval tussen DOAC en vaccinatie is < 6 uur en vaccinvolume ≤ 1 ml; 10 min stevig afdrukkenIM: interval tussen DOAC en vaccinatie is < 6 uur en vaccinvolume ≤1 ml; 10 min stevig afdrukken
SC: bij vaccinvolume > 1 mlSC: bij vaccinvolume > 1 ml
combinaties van antistollingsmiddelen: TAR + VKAvolg advies voor VKAvolg advies voor VKA

NB Vaccinvolume = vaccinvolume per vaccin.

a VKA-voorbeelden: acenocoumarol, fenprocoumon (Marcoumar)

b LMWH-voorbeelden: nadroparine (Fraxiparine), Fraxiparine Forte,  Fraxodi), dalteparine (Fragmin), tinzaparine (Innohep), enoxaparine (Clexane, Inhixa, Lovenox). Deze worden o.a. voorgeschreven aan zwangeren die antistolling nodig hebben (Federatie Medisch Specialisten).

c TAR-voorbeelden: acetylsalicylzuur (Aspro, Aspirine, Alka-Seltzer), carbasalaatcalcium (Ascal), clopidogrel (Grepid, Iscover, Plavix), dipyridamol (Persantin)

d DOAC-voorbeelden: rivaroxaban of edoxaban (eenmaal daags gedoseerd) en apixaban of dabigatran (tweemaal daags gedoseerd)

Zwangerschap

Zwangerschap is een contra-indicatie voor levend verzwakte vaccins, waaronder de BMR-vaccinatie. Vrouwen moeten gedurende 4 weken na BMR-vaccinatie zwangerschap vermijden. Tijdens de zwangerschap wordt in principe ook niet met HPV-vaccin (geïnactiveerd vaccin) gevaccineerd, zie de bijsluiter. Er is tot nu toe echter geen aanwijzing voor schadelijkheid voor moeder of kind bij vaccinatie tijdens de zwangerschap (WHO position paper 2017).

Aan (mogelijk) zwangeren dient uitgelegd te worden wat de risico's zijn van een BMR-vaccinatie of HPV-vaccinatie tijdens de zwangerschap. Indien er mogelijk sprake is van een zwangerschap moet de vaccinatie uitgesteld worden. Als er toch per ongeluk met BMR- of HPV-vaccin is gevaccineerd tijdens de zwangerschap, dan dient dit gemeld te worden bij het Bijwerkingencentrum Lareb (zie paragraaf 11.4). Daarnaast kan, in overleg met de zwangere, de verloskundige en/of de huisarts worden geïnformeerd. Het is geen reden voor het afbreken van de zwangerschap (EMA). Onderzoek heeft laten zien dat per abuis toegediende levend verzwakte vaccins niet hebben geleid tot verhoogd risico op negatieve zwangerschapsuitkomsten, zie ook de Lareb-pagina Vaccins met levend verzwakte micro organismen tijdens de zwangerschap.

Zwangerschap is geen contra-indicatie voor:

  • DKT Difterie Kinkhoest en Tetanus (Difterie Kinkhoest en Tetanus )(P)-vaccin. Ter preventie van neonatale kinkhoest kan tijdens de zwangerschap maternale DKT-vaccinatie (met een DKT- boostervaccin) worden toegediend, zie hoofdstuk 6;
  • MenACWY-vaccin. Het vaccin kan veilig toegediend worden aan zwangeren of tijdens het geven van borstvoeding. Het betreft geïnactiveerd vaccin en er is geen enkele aanwijzing voor schadelijkheid voor moeder en kind;
  • andere inactieve vaccins die in het kader van het RVP kunnen worden aangeboden: griepvaccin, DKTP-Hib-HepB, DTP Difterie, Tetanus en Poliomyelitis (Difterie, Tetanus en Poliomyelitis) en HepB.

5.3 Aanvullende contra-indicaties voor de rotavirusvaccinatie

5.3.1 Aanvullende absolute contra-indicaties

Voor de rotavirusvaccinatie gelden aanvullend de volgende specifieke absolute kindgebonden contra-indicaties:

  • fructose-intolerantie, glucose-galactose-malabsorptie, sucrose-isomaltase-insufficiëntie;
  • voorgeschiedenis met darminvaginatie bij het kind;
  • ongecorrigeerde aandoening met verhoogd risico op darminvaginatie (bijvoorbeeld Meckel-divertikel of poliep);
  • ernstige immuundeficiënties, zoals SCID (SCID-screening) of klinische verdenking daarop. Bij een prematuur is de SCID-uitslag nog niet altijd bekend op de leeftijd van 6 weken. Als het kind (prematuur of à terme geboren) thuis is, kan de JGZ Jeugdgezondheidszorg (Jeugdgezondheidszorg) ervan uitgaan dat dit geen reden is om de vaccinatie uit te stellen.

Meestal zijn deze absolute contra-indicaties op jonge leeftijd nog niet bekend. Indien een dergelijke contra-indicatie bekend is bij een kind, dient de kinderarts de jeugdarts als medebehandelaar hiervan per direct op de hoogte te stellen (zie ook paragraaf 4.5.1 over gegevensuitwisseling tussen kindergeneeskunde en de JGZ).

5.3.2 Aanvullende relatieve contra-indicaties

Kindgebonden contra-indicaties

Kindgebonden contra-indicaties zijn:

  • acute ernstige gastro-enteritis (bij chronische maag-darmaandoeningen zoals malabsorptie of de ziekte van Hirschsprung is voorzichtigheid nodig, maar de voordelen wegen meestal op tegen de risico's (Salvadori 2010);
  • cardiothoracale bypass-chirurgie: 2 weken preoperatief tot minimaal 6 weken postoperatief (dit is zo expliciet aangegeven omdat deze zuigelingen tijdens de opname aan de ECMO liggen en daarom als immuungecompromitteerd worden beschouwd);
  • interval bij andere operaties dan bovengenoemde: bij andere gróte operaties is het goed om met de behandelend specialist af te stemmen of er een specifiek interval gehanteerd moet worden; zie voor andere reguliere operaties tabel 5 in hoofdstuk 5 van de RVP-richtlijn Uitvoering;
  • immuungecompromitteerde status als gevolg van behandeling met immunosuppressieve medicatie.

Systemische corticosteroïden bij het kind: wanneer gedurende > 14 dagen ≥ 2 mg/kg/dag prednison of een equivalent aan systemische corticosteroïden (bijvoorbeeld 2 mg prednison is gelijk aan 0,32 mg dexamethason of 8 mg hydrocortison) aan een pasgeborene is gegeven, kan dit een immuunsuppressief effect hebben met een afgenomen effectiviteit van het vaccin tot gevolg. Het advies is dan om de rotavirusvaccinatie uit te stellen tot 4 weken na het staken van de systemische corticosteroïden. Voor kinderen die behandeld zijn met dexamethason voor de indicatie BPD volgens het doseerschema van het Kinderformularium (lang of kort) geldt dat dit dus geen relatieve contra-indicatie is.

Voor zover bekend is het hebben doorgemaakt van een Necrotiserende Enterocolitis (NEC) geen contra-indicatie voor rotavirusvaccinatie (Javid 2014). Gegeven de mogelijke risico's van een rotavirusinfectie in deze groep kinderen wordt geadviseerd om deze kinderen juist wel te vaccineren.

Indien een tijdelijke contra-indicatie bekend is bij de kinderarts, dient de kinderarts de jeugdarts hiervan per direct op de hoogte te stellen (zie ook paragraaf 4.5.1 over gegevensuitwisseling tussen kindergeneeskunde en de JGZ).

Maternale contra-indicaties

Zwangerschap

Momenteel is er in samenwerking met de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) een richtlijn in voorbereiding over het gebruik van immuunsupressieve medicatie in de zwangerschap en de gevolgen voor het beleid rond vaccinatie van de pasgeborene. Totdat deze richtlijn verschenen is, geldt in zijn algemeenheid:

  1. Maternaal gebruik van een immunosuppressief biological tijdens de zwangerschap, zoals monoklonale antistoffen of receptor antagonisten (o.a. TNFα-blokkers zoals infliximab) waarbij er sprake is van trans-placentaire overdracht naar het kind, is in principe een contra-indicatie. Bekend is dat specifieke biologicals tot 12 maanden lang bij zuigelingen kunnen circuleren (Mahadevan 2013, Julsgaard 2016).

    Voor meer uitleg over biologicals zie bijvoorbeeld de patiëntenfolder Biologicals van MUMC+.

    De volgende biologicals zijn géén contra-indicaties:

    Certolizumab pegol: dit passeert de placenta niet en gebruik tijdens de hele zwangerschap vormt geen contra-indicatie voor toediening van rotavirusvaccin bij het kind.

    Adalimumab en etanercept: gebruik tot 20 weken zwangerschap vormt geen contra-indicatie voor toediening van rotavirusvaccin bij het kind. Als er onduidelijkheid bestaat over de duur van het gebruik en het mogelijk na 20 weken zwangerschap is gebruikt, dan het rotavirusvaccin niet toedienen.

    Hiermee is deze richtlijn voor etanercept iets voorzichtiger wat termijn van gebruik betreft, dan de richtlijn Medicatiegebruik bij inflammatoire reumatische aandoeningen rondom de zwangerschap van de Nederlandse Vereniging voor Reumatologie. Hiervoor is gekozen, omdat de reumatologie-richtlijn stelt dat er altijd een kinderarts geconsulteerd moet worden en dit zal in de praktijk niet het geval zal zijn. Daarnaast is er internationaal geen consensus over (zie bijv Australian Immunisation Handbook).

    Spiegelbepaling: een spiegelbepaling bij de zuigeling is bij het gebruik van biologicals niet geïndiceerd. Bij zo'n jonge zuigeling zal meestal een (lage) concentratie van het biological in het bloed gevonden worden en het is onbekend wat een dergelijke spiegel voor consequenties heeft. Als er toch een spiegelbepaling is gedaan maar géén detecteerbare spiegel van de biological bij het kind gevonden is, kan het rotavirusvaccin worden toegediend (Gisbert 2023).

    Overleg zo nodig met de medisch adviseur RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) of de behandelend arts.
     
  2. Maternaal gebruik van andere immunosuppressiva dan biologicals tijdens de zwangerschap is meestal geen contra-indicatie. Voor sommige middelen geldt dat het immuunsuppressieve effect tot 3 maanden en soms langer na het stoppen van de therapie aan kan houden. In dat geval kan de eerste rotavirusvaccinatie uitgesteld worden en heel zelden helemaal niet gegeven worden. Zie addendum Vaccinatie en afweerstoornissen en LCI-handleiding Vaccinatie bij chronisch inflammatoire aandoeningen en Geneesmiddelen en vaccins rondom de zwangerschap (Lareb).

    Als corticosteroïden een immuunsuppressief effect hebben, houdt dit aan tot 1 maand na de laatste inname. Als een zwangere corticosteroïden gebruikt heeft, is op de leeftijd van 6 weken het effect bij de baby verdwenen. De toediening van antenatale corticosteroïden bij zwangere vrouwen is dus géén contra-indicatie (zie FMS-richtlijn Dreigende vroeggeboorte).
     
  3. Maternaal  gebruik van een combinatie van 2 of meer afweerremmende middelen tijdens de zwangerschap is een contra-indicatie omdat er te weinig bekend is over het effect hiervan.
Borstvoeding

Bij maternaal gebruik van afweerremmende medicatie tijdens de zwangerschap en voortzetting hiervan tijdens het geven van borstvoeding, zie de informatie hierboven bij gebruik van de middelen tijdens de zwangerschap.

Bij maternaal gebruik van afweerremmende medicatie gestart na de bevalling en gebruik tijdens het geven van borstvoeding, hangt het van het medicijn af of er een contra-indicatie is voor het toedienen van rotavirusvaccin aan de zuigeling. De behandelend arts houdt hier zo veel mogelijk rekening mee. In veel gevallen, zoals bijvoorbeeld bij gebruik van infliximab, zal het rotavirusvaccin toegediend kunnen worden. Als middelen over kunnen gaan in de borstvoeding, gebeurt dat meestal in kleine hoeveelheden. Die middelen worden dan in het maagdarmkanaal van het kind grotendeels afgebroken, zodat de kans op een effect voor het kind klein is. Zie richtlijn Medicatiegebruik bij inflammatoire reumatische aandoeningen rondom de zwangerschap van de Nederlandse Vereniging voor Reumatologie, Farmacotherapeutisch kompas en Achtergrondinformatie over geneesmiddelgebruik tijdens de borstvoedingsperiode (Lareb).

Overleg zo nodig met de medisch adviseur RIVM of de behandelend arts.

5.4 Geen contra-indicaties

Geen contra-indicaties voor vaccinaties uit het RVP zijn:

  • antibioticagebruik;
  • anti-D-immuunglobulinen om Rhesusantagonisme tegen te gaan;
  • astma, eczeem, allergie (met uitzondering van een allergie voor een bestanddeel van het vaccin);
  • BCG (Bacillus Calmette-Guérin) (een vaccin tegen tuberculose);
  • bijwerkingen na een vorige vaccinatie zijn geen contra-indicatie, tenzij het een aangetoonde ernstige allergische reactie na een eerdere toediening van hetzelfde vaccin betreft. Bijwerkingen zijn doorgaans van voorbijgaande aard en herhalen zich zelden bij volgende vaccinaties. Wel kan het zijn dat na de melding van de bijwerking voorzorgsmaatregelen geadviseerd worden bij een volgende vaccinatie;
  • chronische aandoeningen, met uitzondering van immuundeficiënties;
  • factor V Leiden. Dit is een erfelijke aandoening waarbij een verhoogde kans bestaat op spontane trombose en longembolie. Dit is géén contra-indicatie voor intramusculair vaccineren;
  • glutenovergevoeligheid (coeliakie);
  • hartafwijkingen. Zie ook de JGZ-richtlijn Hartafwijkingen van de NCJ. De meeste kinderen met een hartafwijking kunnen conform het RVP gevaccineerd worden. Soms is er een relatieve contra-indicatie of zijn er aanvullende maatregelen nodig, op indicatie van de kindercardioloog;
  • kippenei-eiwitallergie m.u.v. griepvaccinatie. Als iemand na een eerdere griepvaccinatie met hetzelfde griepvaccin een ernstige acute allergische reactie heeft gehad op een van de bestanddelen waaronder kippenei-eiwit, dan geldt een contra-indicatie, zie paragraaf 6.2 Maternale griepvaccinatie;
  • ondervoeding of dysmaturiteit;
  • prematuriteit. Zie ook het addendum Prematuren en kinderen met specifieke aandoeningen en de richtlijn Vaccineren van prematuren in het kader van het RVP. Bij in het ziekenhuis opgenomen baby's kan extra bewaking op cardiorespiratoire incidenten nodig zijn. Na ontslag uit het ziekenhuis is extra bewaking niet nodig, tenzij de kinderarts het geïndiceerd heeft naar aanleiding van een reactie op eventuele eerdere vaccinaties. Een forse toename van apneus en bradycardieën aansluitend aan vaccinatie kan reden zijn om een volgende vaccinatie onder monitorbewaking te geven;
  • monoklonale immunoglobulinen tegen RS-virus (palivizumab (Synagis), nirsevimab (Beyfortus));
  • stabiele neurologische aandoeningen of convulsies in de familie;
  • stofwisselingsstoornissen;
  • verkoudheid, lichte infectie van de bovenste luchtwegen, lichte maagdarminfecties;
  • (incubatietijd van) waterpokkeninfectie;
  • IgA-deficiëntie bij een kind. Dit is geen contra-indicatie voor toediening van RVP-vaccin, ook niet voor levend verzwakt vaccin. Het vaccin kan veilig worden toegediend (zie ook LCI-handleiding Vaccinatieadviezen bij hematologische aandoeningen).