Door naar volgend hoofdstuk

5.1 Absolute contra-indicaties

Voor het stellen van een contra-indicatie voor een vaccinatie moet een individuele afweging gemaakt worden. Slechts zeer zelden is er een reden om in het geheel niet te vaccineren met een van de vaccins binnen het RVP Rijksvaccinatieprogramma in verband met een absolute contra-indicatie. Voor alle vaccins gelden als absolute contra-indicaties:  

  • een bevestigde ernstige allergie voor een van de bestanddelen van het vaccin;  

  • een aangetoonde zeer ernstige en/of onmiddellijke (binnen 4 uur optredende) allergische reactie na een eerdere toediening van hetzelfde vaccin.  

5.2 Relatieve contra-indicaties

Bij relatieve contra-indicaties bij het kind moet overwogen worden waar het grootste risico ligt: bij de vaccinatie of bij de door deze vaccinatie te voorkomen infectieziekte. Relatieve contra-indicaties zijn: 
 

Anesthesie en vaccinaties  

Een geplande medische ingreep onder volledige anesthesie kan een reden zijn om een vaccinatie uit te stellen. Het in tabel 4 genoemde landelijke advies is opgesteld in overleg met het  UMCU/Wilhelmina Kinderziekenhuis. Het wordt echter niet overal gehanteerd. Daarom blijft het aanbevolen om in geval van een medische ingreep onder anesthesie bij het ziekenhuis te informeren welk interval gehanteerd moet worden. Ná de medische ingreep hoeft geen interval gehanteerd te worden, zie tabel 5a. Als er in verband met de ingreep plasma of immunoglobuline is toegediend, dan wordt bij vaccinatie met een levend vaccin wel een interval aangehouden, zie tabel 5b. 

Tabel 5a. Interval tussen vaccinatie en anesthesie bij electieve ingrepen. 

 

Soort vaccin

Interval tussen vaccinatie en anesthesie

Interval tussen anesthesie en vaccinatie

Geïnactiveerd vaccin (D(K)TP, DKT Difterie Kinkhoest Tetanus , Hib,  MenACWY, HepB, Pneu, HPV)  

48 uur

Geen (tenzij sprake is van een andere (relatieve) contra-indicatie)  

Levend vaccin (BMR Bof, mazelen, rodehond)  

2 weken

Geen (tenzij sprake is van een andere (relatieve) contra-indicatie)  

Deze intervallen worden geadviseerd om de volgende redenen:  

  • De mogelijke bijwerkingen van de vaccinatie zijn al verdwenen waardoor er geen verwarring op kan treden met eventuele pre- of postoperatieve complicaties.

  • Tevens wordt de kans beperkt dat door ziekte de ingreep moet worden uitgesteld.  

  • Het is prettiger om geen anesthesie en een medische ingreep te moeten ondergaan tijdens een periode waarin het kind zich niet lekker voelt door mogelijke vaccinatiebijwerkingen.

Biologicals (o.a. Infliximab) tijdens de zwangerschap en vaccinaties van het kind   

Momenteel is een definitief document over het gebruik van biologicals in de zwangerschap en de gevolgen voor de pasgeborenen in samenwerking met de NVK in voorbereiding. Zie ook paragraaf 22.7 ‘Levend verzwakte vaccins en immuunsuppressie’ van het 22. Addendum Vaccinatie en afweerstoornissen.
  

Bloedproducten, immunoglobulinen en vaccinaties 

Na toediening van bloedproducten of immunoglobulinen zie tabel 5b hieronder. 

Tabel 5b. Intervallen na toediening van bloedproducten en immunoglobuline. 

 

Als eerste toegediend

Als tweede toegediend

Noodzakelijk interval

bloedproduct

geïnactiveerd vaccin

geen

geïnactiveerd vaccin

bloedproduct

geen

levend vaccin

bloedproduct

2 weken

bloedproduct

levend vaccin

interval in overleg met medisch adviseur bepalen

normaal immunoglobuline

levend vaccin

3 maanden

RSV-immunoglobuline (passieve immunisatie tegen RS-virus, Synagis) intramusculair

levend of geïnactiveerd vaccin

geen

Anti-D immuunglobuline

geïnactiveerd vaccin

geen

COVID-19-achtige klachten en vaccinaties 

Zwangere vrouwen of kinderen en hun ouders die klachten hebben passend bij COVID-19 moeten thuisblijven. Zij mogen niet naar de vaccinatielocatie komen. Er moet eerst duidelijkheid zijn over een COVID-testuitslag. Zie ook de informatie over testen bij klachten van de overheid  en addendum 20: RVP Rijksvaccinatieprogramma tijdens de COVID-19-pandemie.  

Als een kind of zwangere COVID-19 heeft doorgemaakt, kan het gevaccineerd worden met een RVP-vaccin als het niet meer in isolatie hoeft. 

Kinderen of zwangere vrouwen die een positieve testuitslag voor COVID-19 hebben – zowel op basis van een neus- of keelwat (sneltest of PCR) als IgM-antistoffen in het bloed – maar die geen klachten hebben, kunnen gevaccineerd worden in het kader van het RVP als de periode van isolatie voorbij is. 

Zie voor meer informatie de website en addendum 20. Addendum RVP tijdens de COVID-19-pandemie.
 

Epilepsie en vaccinaties  

In geval van epilepsie kan er gevaccineerd worden als het kind goed ingesteld is met anti-epileptica of als het kind al geruime tijd aanvalsvrij is. De jeugdarts dient hiervan overtuigd te zijn en neemt hierover zo nodig contact op met de behandelend arts. Mogelijk dient de onderhoudsmedicatie tijdelijk te worden aangepast met het oog op mogelijke bijwerkingen. Koorts kan bij sommige kinderen die bekend zijn met epilepsie een aanval uitlokken. Overweeg overleg met de behandelaar.
 

Immuunstoornissen en vaccinaties 

Bij ernstige immuunstoornissen (ziekte, behandeling met bijvoorbeeld corticosteroïden of cytostatica, bestraling) is bij het vaccineren met een geïnactiveerd vaccin de kans dat de vaccinatie tot immuniteit leidt verminderd.  

Bij het vaccineren met verzwakt levend vaccin is er een risico dat het kind het gerepliceerde vaccinvirus niet kan klaren en er een infectie met het vaccinvirus wordt doorgemaakt. Voor meer informatie zie het addendum H22 Vaccinatie en afweerstoornissen.
  

Koorts en vaccinaties 

Als een kind te ziek is, kan een vaccinatie beter uitgesteld worden. Koorts is daarvoor een graadmeter. Bij een temperatuur van 38,5 °C of hoger wordt de vaccinatie uitgesteld.
  

Stollingsstoornissen en vaccinaties 

Zowel aangeboren als verworven (door medicatie) verhoogde bloedingsneiging is meestal een contra-indicatie voor intramusculair vaccineren in verband met een verhoogde kans op spierbloedingen. Soms is intramusculair vaccineren toch geen probleem. Subcutaan vaccineren geeft meer kans op lokale reacties en lagere immuunrespons. Bij het gebruik van coumarinederivaten (ook wel Vit. K-antagonisten, VKA  genoemd) als geneesmiddel moeten de instructies van de trombosedienst worden opgevolgd, voor zover aanwezig.  

Omdat binnen het RVP steeds vaker adolescenten en volwassenen gevaccineerd worden, is het goed om onderscheid te maken in regels voor kinderen en regels voor volwassenen. Het beleid voor volwassenen van 18 jaar en ouder is afgestemd met het Landelijk Coördinatiecentrum Reizigersadvisering (LCR). Voor meer informatie en de protocollen bij het vaccineren bij stollingsstoornissen kan contact worden opgenomen met de afdeling Reizigers van de GGD Gemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst

Tabel 5c. Stollingsstoornissen.

 

Stollingsstoornis

18 jaar en ouder

1 t/m 17 jaar

0 jaar

Aangeboren stollingsstoornis; hemofilie, Z van Von Willebrand

SC

SC

Overleg met  behandelend specialist  

Verworven stoornis door antistollingsmedicatie: coumarinederivaten (Vit.K-antagonisten; VKA)a

IM: Bij stabiele INR en vaccinvolume ≤ 1 ml; 2min stevig afdrukken 

SC, tenzij trombosedienst anders instrueert

SC: Bij stabiele INR en vaccinvolume > 1 ml 
SC: bij instabiele INR 

Verworven stoornis door antistollingsmedicatie: laagmoleculairgewichtsheparineb

IM: bij vaccinvolume ≤ 1 ml en preventieve dosering; 2min stevig afdrukken  

IM: bij vaccinvolume ≤ 1 ml en preventieve dosering; 2min stevig afdrukken

SC: bij vaccinvolume > 1 ml en preventieve dosering  SC: bij vaccinvolume > 1 ml en preventieve dosering 
SC: vaccinvolume ≤ 1 ml en therapeutische dosering  SC: vaccinvolume ≤ 1 ml en therapeutische dosering 
SC: vaccinvolume > 1 ml en therapeutische dosering  SC: vaccinvolume > 1 ml en therapeutische dosering 

Verworven stoornis door antistollingsmedicatie: trombocytenaggregatieremmers (TAR)c

IM: bij vaccinvolume ≤ 1 ml; 2min stevig afdrukken 

IM: bij vaccinvolume ≤ 1 ml; 2min stevig afdrukken

SC: bij vaccinvolume > 1 ml  SC: bij vaccinvolume > 1 ml

Trombopathie of trombopenie (aantal <50 x 109/l)

Overleg met behandelend specialist 

Overleg met behandelend specialist 

Direct werkende antistollingsmedicatie (DOAC)d

IM: Interval tussen DOAC en vaccinatie is ≥6 uur en vaccinvolume ≤ 1 ml 

SC: bij vaccinvolume > 1 ml 

IM: Interval tussen DOAC en vaccinatie is ≥6 uur en vaccinvolume ≤ 1 ml 

SC: bij vaccinvolume > 1 ml 

IM: Interval tussen DOAC en vaccinatie is <6 uur en vaccinvolume ≤ 1 ml; 10 min stevig afdrukken 

SC: bij vaccinvolume > 1 ml 

IM: Interval tussen DOAC en vaccinatie is <6 uur en vaccinvolume ≤ 1 ml; 10 min stevig afdrukken 

SC: bij vaccinvolume > 1 ml 

Combinaties van antistollingsmiddelen: TAR + DOAC 

IM: Interval tussen DOAC en vaccinatie is ≥6 uur en vaccinvolume ≤ 1 ml 

SC: bij vaccinvolume > 1 ml 

IM: Interval tussen DOAC en vaccinatie is ≥6 uur en vaccinvolume ≤ 1 ml 

SC: bij vaccinvolume > 1 ml 

IM: Interval tussen DOAC en vaccinatie is <6 uur en vaccinvolume ≤ 1 ml; 10 min stevig afdrukken 

SC: bij vaccinvolume > 1 ml 

IM: Interval tussen DOAC en vaccinatie is <6 uur en vaccinvolume ≤ 1 ml; 10 min stevig afdrukken 

SC: bij vaccinvolume > 1 ml 

Combinaties van antistollingsmiddelen: TAR + VKA  Volg advies voor VKA  Volg advies voor VKA

a: VKA voorbeelden: acenocoumarol, fenprocoumon (Marcoumar)
b: LMWH voorbeelden: nadroparine (Fraxiparine, Fraxiparine Forte, Fraxodi), dalteparine (Fragmin), tinzaparine (Innohep), enoxaparine (Clexane, Inhixa, Lovenox). Deze worden o.a. voor geschreven aan zwangere vrouwen, die antistolling nodig hebben (Federatie Medisch Specialisten)
c: TAR voorbeelden: acetylsalicylzuur (Aspro, Aspirine, Alka-Seltzer), clopidogrel (Grepid, Iscover, Plavix), dipyridamol (Persantin)
d: DOAC voorbeelden: rivaroxaban of edoxaban (eenmaal daags gedoseerd) en apixaban of dabigatran (tweemaal daags gedoseerd)
 

Zwangerschap en vaccinaties 

  • Zwangerschap is een contra-indicatie voor levend verzwakte vaccins, waaronder de BMR-vaccinatie. Vrouwen moeten gedurende 4 weken na vaccinatie zwangerschap vermijden.  

  • Tijdens de zwangerschap wordt niet met HPV-vaccin (geïnactiveerd vaccin) gevaccineerd omdat hiervoor geen indicatie is. Er is tot nu toe geen aanwijzing voor schadelijkheid voor moeder of kind bij vaccinatie tijdens de zwangerschap (WHO-position paper 2017).  

 Aan (mogelijk) zwangere meisjes dient uitgelegd te worden wat de risico’s zijn van een BMR- of HPV-vaccinatie tijdens de zwangerschap. Indien er mogelijk sprake is van een zwangerschap moet de vaccinatie uitgesteld worden. Zo nodig wordt contact opgenomen met de ouders of de betrokken voogdij-instelling om het meisje te begeleiden bij de zwangerschapstest (Naleway 2014). Als er toch per ongeluk met BMR- of HPV-vaccin is gevaccineerd tijdens de zwangerschap, dan dient dit gemeld te worden bij het Bijwerkingencentrum Lareb (zie paragraaf 11.4). Daarnaast kan, in overleg met de zwangere, de verloskundige en/of de huisarts worden geïnformeerd. Het is geen reden voor het afbreken van de zwangerschap (EMA).  

 Zwangerschap is geen contra-indicatie voor:  

  • DKT(P)-vaccin. Ter preventie van neonatale kinkhoest kan tijdens de zwangerschap maternale kinkhoestvaccinatie (met een DKT(P)- boostervaccin) worden toegediend, zie Hoofdstuk 6.  

  • MenACWY-vaccin. Het vaccin kan veilig toegediend worden aan meisjes, die zwanger zijn of borstvoeding geven. Het betreft geïnactiveerd vaccin en er is geen enkele aanwijzing voor schadelijkheid voor moeder en kind.  

  • Andere inactieve vaccins die in het kader van het RVP kan worden aangeboden: DKTP Difterie, kinkhoest, tetanus, polio-Hib-HepB, DTP Difterie, Tetanus en Poliomyelitis en HepB.

5.3 Geen contra-indicaties

Geen contra-indicaties zijn:

  • antibioticagebruik;  

  • Anti-D immuunglobulinen om Rhesus antagonisme tegen te gaan;  

  • astma, eczeem, allergie (met uitzondering van een allergie voor een bestanddeel van het vaccin);  

  • bijwerkingen na een vorige vaccinatie zijn geen contra-indicatie, tenzij het een aangetoonde zeer ernstige allergische reactie na een eerdere toediening van hetzelfde vaccin betreft. Bijwerkingen zijn doorgaans van voorbijgaande aard en herhalen zich zelden bij volgende vaccinaties. Wel kan het zijn dat na de melding van de bijwerking voorzorgsmaatregelen geadviseerd worden bij een volgende vaccinatie.  

  • chronische aandoeningen, met uitzondering van immuundeficiënties;  

  • factor-V-Leiden. Dit is een erfelijke aandoening waarbij een verhoogde kans bestaat op spontane trombose en longembolie. Dit is géén contra-indicatie voor intramusculair vaccineren;  

  • hartafwijkingen. Zie ook de JGZ Jeugdgezondheidszorg-richtlijn Hartafwijkingen van de NCJ. De meeste kinderen met een hartafwijking kunnen conform het RVP Rijksvaccinatieprogramma gevaccineerd worden. Soms is er een relatieve contra-indicatie of zijn er aanvullende maatregelen nodig, op indicatie van de kindercardioloog;

  • kippenei-eiwitallergie;  

  • ondervoeding of dysmaturiteit;  

  • prematuriteit. Zie ook Addendum 15: Prematuren en kinderen met specifieke aandoeningen en de richtlijn Vaccineren van prematuren in het kader van het RVP. Bij in het ziekenhuis opgenomen baby’s kan extra bewaking op cardiorespiratoire incidenten nodig zijn. Na ontslag uit het ziekenhuis is extra bewaking niet nodig, tenzij de kinderarts het geïndiceerd heeft naar aanleiding van een reactie op eventuele eerdere vaccinaties. Een forse toename van apneus en bradycardieën aansluitend aan vaccinatie kan reden zijn om een volgende vaccinatie onder monitorbewaking te geven;  

  • RSV-monoclonale immunoglobulinen tegen RS-virus (Synagis®, palivizumab);  

  • stabiele neurologische aandoeningen of convulsies in de familie;  

  • stofwisselingsstoornissen;  

  •  verkoudheid, lichte infectie van de bovenste luchtwegen, lichte maagdarminfecties;  

  • (incubatietijd van) waterpokkeninfectie.