Door naar volgend hoofdstuk

4.1 Het opstellen van een individueel vaccinatieplan

De kaders van het RVPRijksvaccinatieprogramma zijn het uitgangspunt voor het opstellen van een individueel vaccinatieplan. Ieder kind krijgt een eigen vaccinatieplan. Het opstellen van individuele vaccinatieplannen is een taak van de jeugdarts (of de verpleegkundig specialist) die betrokken is bij de uitvoering van het RVP. Hij/zij maakt in overleg met de ouders en/of het kind zelf het vaccinatieplan, rekening houdend met (tijdelijke) contra-indicaties en eventuele al eerder gegeven vaccinaties.

Voor een pasgeboren zuigeling is het standaard vaccinatieschema van het RVP van toepassing, zie paragraaf 2.2 tabel 3. Voor oudere kinderen geldt een inhaalschema, zie de beslisboom in paragraaf 9.12. De medisch adviseurs (zie contactgegevens) van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu ondersteunen zo nodig jeugdartsen en verpleegkundig specialisten bij het vaststellen op welke vaccinaties kinderen recht hebben. Het toedienen van RVP-vaccinaties buiten de kaders van de Richtlijn Uitvoering RVP 2019 is alleen toegestaan na overleg met een medisch adviseur van het RIVM.
De RIVM-DVP-regiokantoren bieden de volgende ondersteuning:

  • Ouders van 4-6 weken oude baby’s ontvangen van het RIVM-DVP-regiokantoor een uitnodigingsbrief voor het RVP, een brochure, een vaccinatiebewijs en een set vaccinatiekaarten.
  • Voor kinderen van vestigers wordt bij de ouders eerst de vaccinatiegegevens opgevraagd door het RIVM- DVP-regiokantoor. Voor het samenstellen van een individueel vaccinatieplan worden vestigers verzocht om een kopie van het vaccinatiebewijs van hun kind op te sturen naar het RIVM-DVP-regiokantoor. Op basis van die informatie wordt het vaccinatieschema opgesteld en het RVP-vaccinatiebewijs ingevuld. Vestigers ontvangen hierna de vaccinatiekaarten voor het vervolg van het vaccinatieschema. Als vestigers niet reageren op het verzoek om toezending van een kopie vaccinatiebewijs van hun kind, ontvangen ze een volledige uitnodigingsset die past bij de leeftijd van hun kind. Als de jeugdarts of jeugdverpleegkundige alsnog informatie krijgt over vaccinaties die in het buitenland zijn gegeven, moet dit doorgegeven worden aan het RIVM-DVP-regiokantoor. Dit mag niet digitaal via de koppeling met Praeventis worden doorgegeven, omdat de vaccinaties niet zijn toegediend door de JGZJeugdgezondheidszorg-organisatie zelf. Het moet via post of mail doorgegeven worden. De vaccinatiestatus kan dan in het RIVM-informatiesysteem Praeventis worden aangevuld. Als de vaccinatiekaarten niet aanwezig zijn tijdens het consult, bepaalt de jeugdarts of verpleegkundig specialist, op basis van de beschikbare informatie, welke vaccinatie tijdens het contactmoment kan worden toegediend. Het RIVM- DVP-regiokantoor verstrekt desgewenst de vaccinatiestatus aan de Jeugdgezondheidszorgorganisatie, telefonisch of digitaal via een een koppeling met Praeventis.

Voor overleg met de medisch adviseur zie de contactgegevens.

4.2 Uitbraken en epidemieën

Met uitzondering van HPV zijn alle ziekten waartegen we in het RVPRijksvaccinatieprogramma vaccineren meldingsplichtig volgens de Wet publieke gezondheid. Bij een lokale uitbraak van een infectieziekte bepaalt de arts infectieziektebestrijding van de GGDGemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst welke maatregelen genomen worden om de uitbraak te bestrijden. Dit kan onder meer een gericht aanbod zijn van extra vaccinaties, vervroegde vaccinaties of inhaalvaccinaties aan contacten van de patiënt(en), bijvoorbeeld aan gezinscontacten, klasgenoten of schoolgenoten. De afdeling Infectieziektebestrijding van de GGD stemt dit af met de lokale JGZJeugdgezondheidszorg-organisatie en een medisch adviseur van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu als het om een ziekte gaat waartegen binnen het RVP wordt gevaccineerd.

Tijdens uitbraken van infectieziekten kunnen RVP-vaccinaties eerder gegeven worden. De eerste vaccinatie kan bijvoorbeeld worden vervroegd naar de minimale leeftijd van 4 weken. Een (extra) vervroegde BMRBof, mazelen, rodehond-vaccinatie kan worden gegeven vanaf de leeftijd van 6 maanden. Als er sprake is van een grootschalige uitbraak of epidemie roept de LCILandelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (onderdeel RIVM) (onderdeel RIVM)  van het RIVM een Outbreak Management Team (OMT) bijeen. Het OMT adviseert zo nodig aan de minister van VWSMinisterie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om op grote schaal kinderen, volwassenen of bepaalde risicogroepen op te laten roepen voor extra of vervroegde vaccinatie. Als uitbraken van infectieziekten in het buitenland aanleiding geven tot eventuele extra of vervroegde vaccinaties vanuit het RVP, dan komt er een bericht in RVP-nieuws en op Rijksvaccinatieprogramma.nl met exacte informatie over welke kinderen daarvoor in aanmerking komen.