Download de richtlijn en de bijlagen

Samenvatting

Deze richtlijn beschrijft de vereisten voor de deskundigheid van medewerkers jeugdgezondheidszorg bij de uitvoering van het Rijksvaccinatieprogramma. De belangrijkste punten uit deze richtlijn zijn:

  • Vaccineren is een voorbehouden handeling waarvoor bekwaamheid vereist is.
  • Bekwaamheid is een combinatie van kennis en vaardigheid.
  • Onbekwaam maakt onbevoegd.
  • Zelfstandig bekwaam zijn artsen, verpleegkundig specialisten (VS) en physician assistants (PA’s).
  • Zij die zelfstandig bekwaam zijn, mogen de opdracht om te vaccineren geven aan anderen die bekwaam zijn, zoals verpleegkundigen en doktersassistenten.
  • Verpleegkundigen hebben functionele zelfstandigheid, zij mogen in opdracht van een arts, VS of PA vaccineren, zonder dat deze daarbij toezicht hoeft te houden.
  • Doktersassistenten en andere medewerkers met een MBO-opleiding mogen als zij bekwaam zijn vaccineren, maar de arts en opdrachtgever moet daarbij wel toezicht houden en tussenkomst garanderen.

1. Over deze richtlijn

1.1 Aanleiding voor deze richtlijn

Per 1 januari 2019 is het onderdeel over het Rijksvaccinatieprogramma (RVPRijksvaccinatieprogramma) van de gewijzigde Wet publieke gezondheid (Wpg) in werking getreden. De gemeente heeft meer verantwoordelijkheden voor het RVP gekregen. In de Wet publieke gezondheid en het Besluit publieke gezondheid zijn kwaliteitseisen voor de uitvoering van het Rijksvaccinatieprogramma vastgelegd. Deze richtlijn geeft invulling aan deze kwaliteitseisen. Hiermee kunnen de JGZJeugdgezondheidszorg-organisaties ook aan de gemeentes laten zien wat nodig is om de kwaliteit van de uitvoering van het RVP te borgen. De voorliggende richtlijn is een aanvulling op de richtlijn Uitvoering RVP (van kracht per 1 januari 2017) die de kaders en uitvoering van het RVP behandelt en jaarlijks wordt vernieuwd. Deze richtlijn Deskundigheid RVP voor JGZ-medewerkers is opgesteld door een van de medisch adviseurs van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en tot stand gekomen in samenwerking met de koepelorganisaties en het Landelijk RVP-Overleg (LRO).

1.2 Opbouw van de richtlijn

In hoofdstuk 2 worden de wetten die relevant zijn voor de kwaliteit van de uitvoering van het RVP besproken. Bekwaamheid van medewerkers voor het uitvoeren van de voorbehouden handeling vaccineren is hier een belangrijk onderwerp.

In hoofdstuk 3 wordt dieper op het onderwerp bekwaamheid ingegaan en wordt stilgestaan bij de rol van de individuele uitvoerder en de rol van de JGZ-organisatie bij het bekwaam worden en blijven van hun medewerkers.

In bijlage 1 is aanvullende informatie te vinden over de wetgeving in de JGZ.

In bijlage 2 wordt ingegaan op het vaccineren door anderen dan de arts of verpleegkundige.

In bijlage 3 staan voorbeelden van checklists en bekwaamheidsverklaringen.

1.3 Versiebeheer

Vastgesteld tijdens het LRO op 12 februari 2019. Met enkele wijzigingen opnieuw aan het LRO aangeboden op 1 oktober 2019.

2. Wettelijke kaders

2.1 Inleiding kwaliteitswetgeving

Werknemers binnen de jeugdgezondheidszorg hebben voor de uitvoering van hun werkzaamheden te maken met verschillende wet- en regelgeving. De taken en verantwoordelijkheden worden omschreven in de Wet publieke gezondheid (Wpg) en het Besluit publieke gezondheid. Per 1 januari 2019 is het RVPRijksvaccinatieprogramma opgenomen in de Wpg. De kwaliteit van de zorg wordt gewaarborgd door kwaliteitswetgeving.

Tabel 1. Wetgeving waar de JGZJeugdgezondheidszorg mee te maken heeft

Wet

Inhoud/doel

Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG)

Doel van deze wet is om de kwaliteit van de beroepsuitoefening te bevorderen en te bewaken, en de patiënt te beschermen tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen.

Beschrijft voorbehouden handelingen en welke beroepsbeoefenaren bevoegd zijn om de voorbehouden handelingen te verrichten.

Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz)

Biedt een kader waarbinnen zorginstellingen zelf verantwoordelijk zijn voor de wijze waarop zij hun kwaliteitsbeleid vormgeven.

Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO)

Regelt de rechtsbetrekking tussen de hulpverlener en de patiënt tijdens de hulpverlening.

Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)

Europese privacy wetgeving die per 25 mei 2018 de Wet bescherming persoonsgegevens heeft vervangen en de privacy en bescherming van persoonsgegevens regelt.

De Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) houdt toezicht op de handhaving van de kwaliteit van de zorg op basis van deze wetten. Zie NCJ themadossier Uitvoeringskader.

Alle JGZ-organisaties moeten een gecertificeerd kwaliteitssysteem hebben. Bij de meeste JGZ-organisaties is dit de Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector (HKZ). In dit hoofdstuk worden de Wet BIG en de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg besproken. Een uitgebreidere beschrijving van de verschillende relevante wetten wordt gegeven in bijlage 1.

2.2 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg

Het geven van een injectie, en dus ook vaccineren, is een voorbehouden handeling. Voorbehouden handelingen zijn risicovolle, medische handelingen die alleen door bevoegde zorgverleners mogen worden uitgevoerd. Wie voorbehouden handelingen uitvoert moet dat deskundig en zorgvuldig doen. Ook moet hij door kennis en vaardigheid bekwaam zijn. Anders ontstaan onverantwoorde risico’s voor de gezondheid van de patiënt. Zie Rijksoverheid Voorbehouden handelingen. Een centraal begrip in de regeling voor voorbehouden handelingen is de term ‘bekwaam’.

Bekwaamheid is een basis voor alle geboden zorg door professionals. Bekwaam houdt in het beschikken over kennis en vaardigheid:

  • Kennis over de handeling, de technieken, het doel, de anatomie, de risico’s (contra-indicaties), voor- en nazorg en eventuele complicaties;
  • vaardigheid met betrekking tot de uitvoering van de handeling en bijkomende activiteiten (beslissen, interpreteren, communiceren, etc.).

Bekwaamheid dient dus ruim geïnterpreteerd te worden; het is meer dan het technisch juist uitvoeren van de handeling en de bijkomende activiteiten (beslissen, interpreteren, communiceren etc.). Bekwaamheid is altijd individueel bepaald: iedere beroepsbeoefenaar is verantwoordelijk om zelf te bepalen of hij beschikt over de vereiste bekwaamheid. Naast bekwaamheid speelt bevoegdheid ook een belangrijke rol. Dit wordt toegelicht in de volgende paragraaf.

2.2.1 Zelfstandig bevoegd, niet-zelfstandig bevoegd en functionele zelfstandigheid

Samengevat zijn de bepalingen in de Wet BIG voor wat betreft het vaccineren:

  • (Jeugd)artsen zijn zelfstandig bevoegd om te vaccineren als zij bekwaam zijn.
  • Verpleegkundig specialisten en physician assistants zijn zelfstandig bevoegd om te vaccineren als dit binnen het deelgebied van hun specialisme valt en zij bekwaam zijn (dit is bijvoorbeeld de verpleegkundig specialist preventieve zorg, meer informatie over verpleegkundig specialisten is te vinden op V&VN-profiel verpleegkundig specialist).
  • Artsen, VS en PA mogen een andere zorgverlener een opdracht tot vaccineren geven als zij redelijkerwijs mogen aannemen dat de opdrachtnemer bekwaam is en als zij toezicht houden (voor zover redelijkerwijs noodzakelijk) en tussenkomst van een zodanig persoon voldoende is verzekerd.
  • Verpleegkundigen hebben functionele zelfstandigheid. Toezicht en tussenkomst van de opdrachtgever is niet noodzakelijk. Zij mogen de handeling alleen uitvoeren in opdracht van een arts/VS/PA en als zij bekwaam zijn.
  • Anderen die door opleiding en ervaring bekwaam zijn, mogen vaccineren indien zij een opdracht hebben gekregen van een arts, VS of PA en indien deze toezicht houdt en tussenkomst voldoende is verzekerd. Voor hen geldt dus geen functionele zelfstandigheid. Dit geldt bijvoorbeeld voor doktersassistenten.

Tabel 2. Voorwaarden voor het geven en aannemen van een vaccinatie-opdracht

Opdrachtgever – arts/VS/PA

Opdrachtnemer – medewerker zorginstelling

1. Deskundig en bekwaam om te indiceren, opdracht geven

1. In opdracht handelen

2. Voor zover redelijkerwijs nodig:

  • Aanwijzingen geven
  • Toezicht verzekeren
  • Mogelijkheid tot tussenkomst opdrachtgever verzekeren

2. Handelen in overeenstemming met de gegeven aanwijzingen

3. De bekwaamheid van de opdrachtnemer vaststellen

3. Beschikken over de bekwaamheid de handeling uit te voeren

Alleen als aan deze voorwaarden is voldaan, is de opdrachtnemer zelf bevoegd om de handeling te verrichten. Is de opdrachtnemer onbekwaam, dan is hij onbevoegd de handeling te verrichten. Onbekwaam maakt onbevoegd! 

In hoofdstuk 3 wordt beschreven hoe zorgprofessionals binnen de JGZ bekwaam kunnen worden en blijven voor het vaccineren.

Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg

De zorgaanbieder, in dit geval de JGZ-organisatie, is verplicht goede zorg te leveren. De zorgverleners handelen volgens kwaliteitsstandaarden. De JGZ-organisatie zorgt voor kwalitatief en kwantitatief voldoende personeel.

3. De wetgeving in de praktijk

3.1 Bekwaamheid in de praktijk

Zoals aangegeven in hoofdstuk 2 dient de JGZJeugdgezondheidszorg-organisatie te zorgen voor voldoende bekwaam personeel. De benodigde competenties voor bekwaamheid zijn te verdelen in kennis en vaardigheden.

Degene die de vaccinaties van het RVPRijksvaccinatieprogramma toedient, of de opdracht daartoe geeft, wordt geacht te beschikken over kennis over:

  • Wettelijke kaders en organisatie van het RVP
  • Wie er in aanmerking komen voor het RVP
  • Wie de indicatie stelt voor het RVP
  • Cold chain
  • Tegen welke ziektes het RVP beschermt en wat deze ziektes inhouden
  • De onderbouwing van het RVP en recente wijzigingen
  • De nieuwste ontwikkelingen op het gebied van vaccinaties in de JGZ
  • Indicatiestelling en het opstellen van een individueel vaccinatieplan (voor artsen, VS en PA)
  • De rol van de afdeling Infectieziektebestrijding van de GGDGemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst
  • Contra-indicaties, inclusief intervallen tussen vaccins en bloedproducten, vaccins en anesthesie en vaccinaties onderling
  • Het tijdstip van vaccineren en minimumintervallen in een vaccinatieserie
  • Het begrip basisimmuniteit
  • Indicaties voor booster-vaccinaties
  • Vaccinatietechniek, inclusief handhygiëneregels, gebruik van veilige naaldsystemen en voorkeursplaats voor injecties
  • Administratieve handelingen rondom vaccineren
  • De procedure van de registratie en het opvragen van informatie over de status in DD JGZ
  • Hoe te handelen bij prikaccidenten
  • Inhaalschema’s en het gebruik van de beslisboom
  • Meest voorkomende bijwerkingen en de procedure van melding van bijwerkingen
  • Voorlichtingsmaterialen van het RVP
  • Websites met betrouwbare informatie over het RVP
  • Voor- en nadelen van vaccineren
  • Het RVP voor asielzoekerskinderen
  • Het RVP voor prematuren en kinderen met specifieke aandoeningen
  • Het vaccineren van baby’s van moeders die hepatitis B-drager zijn
  • Vaccinaties voor kinderen die reizen naar het buitenland
  • Postexpositieprofylaxe tetanus bij kinderen
  • Indien niet-zelfstandig bevoegd weten wanneer de arts te raadplegen

Naast beschikken over voldoende kennis moet deze persoon ook beschikken over de competenties om deze kennis adequaat toe te passen, zoals communicatieve vaardigheden om met ouders het gesprek aan te gaan over vaccinaties.

Degene die de vaccinatie toedient, wordt geacht over de vaardigheid van het vaccineren volgens de vaccinatietechniek beschreven in de richtlijn Uitvoering RVP, inclusief het gebruik van veiligenaaldsystemen, te beschikken.

Hoe medewerkers aan deze kennis en vaardigheden kunnen komen en hoe deze up-to-date gehouden kunnen worden, wordt beschreven in de volgende paragrafen.

3.1.1 Nieuwe medewerkers binnen het RVP

Nieuwe medewerkers die het RVP gaan uitvoeren moeten ingewerkt worden. Dit inwerken bestaat uit een theoretisch gedeelte en een praktijkdeel. De JGZ-organisaties geven zelf invulling aan het inwerkprogramma, waarbij in ieder geval de onderstaande punten 1 en 2 aan bod komen.

Het theoretische deel bestaat uit:

1. Het doornemen van de relevante documenten. Waaronder:

  • RVP-richtlijnen;
  • Beschikbare relevante informatie op de professionalswebsite van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu over het RVP;
  • Relevante protocollen en procedures van de eigen organisatie;
  • Indien gewenst relevant hand of leerboek, zoals Handboek vaccinaties.

2. Het volgen van een theoretische introductiescholing, bijvoorbeeld:

  • Introductiescholing binnen de opleiding tot jeugdarts KNMG;
  • RVPscholing nieuwe verpleegkundigen verzorgd door medisch adviseur RIVM. Deze scholing is ook geschikt voor startende jeugdartsen. Voor het aanbod van deze scholing kan contact opgenomen worden met de medisch adviseur RIVM in de eigen regio;
  • RVPscholing verzorgd door medisch adviseur RIVM of stafarts/arts met aandachtsgebied RVP van de eigen organisatie.

3. E-learning ‘Achtergronden Rijksvaccinatieprogramma’

N.B. Dit is een verdiepende e-learning; deze e-learning is niet bedoeld voor het verwerven van basiskennis. De basiskennis dient verworven te worden op de hierboven beschreven wijze.

4. Eventuele in de toekomst te verschijnen e-learnings over het RVP.

In het praktijkdeel wordt de medewerker ingewerkt in de praktijk. De medewerker krijgt praktische instructie van degene die hem inwerkt over het verrichten van vaccinaties en oefent dit onder supervisie.

De organisatie dient zorg te dragen voor een adequate training en toetsing in de praktijk, waarbij de vaccinatietechniek, inclusief de voorbereidende handelingen en het afwikkelen van de administratie/registratie en de communicatie rondom vaccineren, aan bod komt.

De inwerkperiode wordt afgesloten met een inhoudelijke toets en een praktijktoets (onder supervisie vaccineren). De praktijktoets wordt afgenomen door degene die daar binnen de organisatie voor is aangewezen; dit kan de stafarts of stafverpleegkundige zijn of een arts of verpleegkundige met aandachtsgebied RVP. Daarna kan een bekwaamheidsverklaring worden getekend door de JGZ-medewerker en de supervisor. Voor niet-artsen is het tekenen van de bekwaamheidsverklaring na het afronden van de inwerkperiode een vereiste. Voor artsen is dit een aanbeveling.

3.1.2 Bestaande medewerkers binnen het RVP

Up-to-date houden van kennis en vaardigheden

Artsen, VS, PA en verpleegkundigen die het RVP uitvoeren worden geacht hun kennis en vaardigheden up-to-date te houden. Dit kan door het ondernemen van de volgende acties:

Voor opdrachtnemers die geen functionele zelfstandigheid hebben, zoals doktersassistenten, die vaak worden ingezet bij groepsvaccinaties, geldt dat zij vooral hun praktische vaardigheden van het toedienen van het vaccin up-to-date moeten houden en door de opdrachtgever geïnformeerd dienen te worden over de belangrijkste veranderingen en aandachtspunten binnen het RVP.

Toetsing van de kennis en vaardigheden

Periodiek dienen de verpleegkundigen hun kennis en vaardigheden te laten toetsen. De theoretische kennis kan getest worden door middel van een toets. Hiervoor kan de e-learning met begin- en eindtoets gebruikt worden. Bij niet-zelfstandig bevoegden, zoals doktersassistenten, ligt de nadruk op de vaardigheden.

Toetsing van vaardigheden kan plaatsvinden door intercollegiale toetsing of door het mee laten kijken van de stafarts of stafverpleegkundige bij het toedienen van een aantal vaccinaties. Hierna kan een nieuwe bekwaamheidsverklaring worden getekend, door minimaal één arts en de betreffende persoon zelf. De bekwaamheidsverklaring moet minimaal elke 5 jaar worden vernieuwd.

Voor artsen geldt dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor het bevoegd en bekwaam blijven. Voor hen is het ook aan te bevelen om dit regelmatig te (laten) toetsen.

3.1.3 JGZ-medewerkers die niet zelf het RVP uitvoeren

Binnen JGZ-organisaties werken ook JGZ-medewerkers die zelf niet betrokken zijn bij de uitvoering van het RVP. Deze medewerkers dienen door de organisatie wel regelmatig op de hoogte te worden gebracht over veranderingen in het RVP.

3.2 Rol van de JGZ-organisatie

Ter bevordering van zorgvuldig en uniform handelen is het zwaarwegende advies gebruik te maken van landelijke standaarden en protocollen als norm voor professioneel handelen. Standaarden die wetenschappelijk zijn bepaald of door de beroepsgroep of sector als richtlijn zijn aangewezen, gelden als zwaarwegend advies voor professioneel handelen. Dit betekent niet dat standaarden altijd gevolgd dienen te worden. Er zijn omstandigheden die afwijking van de standaard rechtvaardigen of zelfs noodzakelijk maken. JGZ-organisaties kunnen naast de landelijke richtlijnen ook nog interne werkinstructies of protocollen maken als dat binnen de organisatie wenselijk is.

In het kader van de Wkkgz dient een zorginstelling beleid te ontwikkelen over het aanbod aan en de uitvoering van de voorbehouden handelingen, in dit geval vaccinaties. Concreet houdt dit in dat de zorginstelling verantwoordelijk is voor het:

  • Vastleggen welke risicovolle handelingen verricht kunnen worden door de medewerkers op grond van hun bekwaamheid;
  • Vastleggen welke zorgvuldigheidseisen gelden bij de uitvoering van risicovolle handelingen: dit omvat een regeling met betrekking tot bekwaamheid van personeel en afspraken met betrokken artsen (Wet BIG);
  • Inzetten van voldoende en gekwalificeerd personeel (Wkkgz);
  • Het hebben en naleven van een procedure voor periodieke toetsing en hernieuwde bekwaamheidsverklaring.

Voor de voorbehouden handeling vaccineren kan de JGZ-organisatie de volgende stappen nemen:

  1. Inventariseren welke bekwaamheid noodzakelijk is voor het vaccineren;
  2. Inventariseren door welke medewerkers de JGZ-organisatie vaccinaties wil laten verrichten;
  3. Inventariseren welke bekwaamheid aanwezig is bij de medewerkers;
  4. Inventariseren welke bij-/nascholing (zowel theoretisch als praktisch) noodzakelijk is om de bekwaamheid te behouden/verwerven om de handelingen te mogen verrichten;
  5. Organiseren van deze bij-/nascholing en periodieke toetsing;
  6. Vastleggen van de afspraken over vaccineren in protocollen en werkafspraken;
  7. Afspraken maken met betrokken partijen over het in opdracht verrichten van vaccinaties.

Voor zowel de arts (opdrachtgever) als de betrokken medewerker (opdrachtnemer), is in de Wet BIG als voorwaarde opgenomen dat de opdrachtnemer bekwaam moet zijn om de voorbehouden handeling te verrichten. Dit veronderstelt dat de arts aan de betrokken medewerker persoonlijk een bepaalde opdracht geeft en nagaat of de betreffende medewerker bekwaam is. In de praktijk is een dergelijke regeling niet werkbaar. Veelal bestaat tussen de opdrachtgever en opdrachtnemer geen een-op-eensituatie. Daarom is het noodzakelijk dat hierover binnen de organisatie goede afspraken worden gemaakt. Deze afspraken worden hieronder verder uitgewerkt. Tevens dient er een arts/VS/PA aanwezig te zijn bij groepsvaccinaties waar naast verpleegkundigen met functionele zelfstandigheid ook anderen aanwezig zijn die vaccinaties toedienen, zoals doktersassistenten.

Met artsen/zelfstandig bevoegden in dienstverband maakt de JGZ-organisatie de volgende afspraken die in een protocol of in interne werkafspraken vastgelegd worden:

  • De JGZ-organisatie zal instaan voor de bekwaamheid van de medewerkers voor het vaccineren.
  • Een arts binnen de JGZ-organisatie beoordeelt of de functioneel zelfstandig bevoegden (verpleegkundigen) en niet-zelfstandig bevoegden (doktersassistenten en andere MBO-opgeleiden) bekwaam zijn en tekent hun bekwaamheidsverklaringen.
  • De jeugdarts hoeft bij het geven van een opdracht niet zelf na te gaan of de medewerkers bekwaam zijn, als een andere arts binnen de organisatie dat gedaan heeft en vastgelegd heeft in bekwaamheidsverklaringen.
  • De JGZ-organisatie zal instaan voor een telefonisch bereikbare arts, tijdens het vaccineren door functioneel zelfstandig bevoegden.
  • De JGZ-organisatie zal instaan voor de aanwezigheid van een arts indien door niet-zelfstandig bevoegden gevaccineerd wordt. Op die manier is de mogelijkheid van toezicht en tussenkomst van de arts gegarandeerd.
  • De indicatie voor het RVP staat in de richtlijn Uitvoering RVP beschreven. Alle kinderen woonachtig in Nederland en ingeschreven bij de gemeente komen tot hun 18e verjaardag in aanmerking voor het RVP. De richtlijn is opgesteld door artsen, medisch adviseurs van het RIVM en vastgesteld in het LRO.
  • Het opstellen van individuele vaccinatieschema’s is een taak van de jeugdarts/VS/PA die betrokken is bij de uitvoering van het RVP. Bij iedere nieuw kind bepaalt de jeugdarts/VS/PA of er op basis van familieanamnese, medische anamnese, medicijngebruik e.d. een contra-indicatie bestaat voor (een deel van) het standaard (inhaal)vaccinatieschema. De kaders van het RVP zijn het uitgangspunt voor het opstellen van een individueel vaccinatieschema. De contra-indicaties die bepalend zijn voor het afwijken van het standaard schema worden met het individuele vaccinatieschema vastgelegd in het DD JGZ.
  • De arts/VS/PA zal in die gevallen waarin dat redelijkerwijs nodig is, op individueel niveau aanwijzingen verstrekken over het verrichten van de vaccinatie. Bij deze aanwijzingen kan gedacht worden aan kinderen die op een andere plaats van het lichaam gevaccineerd moeten worden, kinderen die in een aparte ruimte gevaccineerd moeten worden of kinderen met stollingsstoornissen. De aanwijzingen worden in het DD JGZ vastgelegd.
  • Na het opstellen van het individuele vaccinatieschema kan de jeugdarts het toedienen van de vaccinaties delegeren aan de verpleegkundige, in principe tot de 18e verjaardag, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan. Deze voorwaarden betreffen de bekwaamheid en bevoegdheid, zoal beschreven is in deze richtlijn, maar ook het hanteren van een intervalanamnese en het raadplegen van een arts, zoals beschreven in de richtlijn Uitvoering RVP.

3.2.1 Inventarisatie van bekwaamheid medewerkers

Op basis van de afspraken met de arts dient de JGZ-organisatie in te staan voor de bekwaamheid van de medewerkers. De zorginstelling dient er dus voor te zorgen dat voldoende medewerkers bekwaam zijn om te vaccineren. Naast de medewerker die zelf zijn bekwaamheid toetst, zal ook de zorginstelling moeten beoordelen of de medewerker daadwerkelijk bekwaam is.

In sommige organisaties wordt op dit moment al gewerkt met bekwaamheidsverklaringen die voor een bepaalde periode worden afgegeven. In een dergelijke verklaring legt de zorginstelling of een scholingsinstituut vast dat gebleken is dat een bepaalde medewerker bekwaam is om bepaalde handelingen te verrichten. Als deze bekwaamheidsverklaring wordt afgegeven na toetsing van de bekwaamheid, is dit een teken dat door de zorginstelling op zorgvuldige wijze is omgegaan met de beoordeling van de bekwaamheid (zie hiervoor ook paragraaf 3.1.1 en 3.1.2). Een bekwaamheidsverklaring laat onverlet dat in iedere situatie opnieuw de medewerker zelf moet beoordelen of hij bekwaam is. Indien de JGZ-organisatie voldoende waarborgen creëert ten aanzien van de bekwaamheid van beroepsbeoefenaren die bepaalde risicovolle handelingen verrichten, kan een medewerker een opdracht daartoe niet zonder meer weigeren. Het weigeren van een opdracht dient te worden verantwoord.

Bijlagen

Zie de bijlagen voor meer informatie over wetgeving in de JGZJeugdgezondheidszorg (bijlage 1) en het verrichten van voorbehouden handelingen door 'anderen' (bijlage 2). Voorbeelden van bekwaamheidsverklaringen en een bijbehorende checklist zijn te vinden in bijlage 3, als Word- of pdf-bestand.