Door naar volgend hoofdstuk

8.1 Uitwisselbaarheid van vaccins

In het buitenland begonnen vaccinatieseries kunnen binnen het RVPRijksvaccinatieprogramma worden afgemaakt. De meeste vaccins zijn uitwisselbaar en in een serie na elkaar te gebruiken.

In Nederland, en soms ook binnen het RVP, kan het voorkomen dat gelijktijdig verschillende (combinatie)vaccins met dezelfde componenten beschikbaar zijn. Het hangt van de vaccins af of ze qua samenstelling gelijkwaardig zijn en daarom onderling uitwisselbaar.

  • Priorix en M-M-R-Vaxpro zijn allebei BMRBof, mazelen, rodehond-vaccins en uitwisselbaar.
  • Boostrix Polio is voor de gebruikelijke indicatie binnen het RVP (DKTPDifterie, kinkhoest, tetanus, polio-boostervaccinatie rond de leeftijd van 4 jaar) geschikt. Boostrix Polio is echter niet geschikt voor het opbouwen van basisimmuniteit (terwijl het voorheen in het RVP gebruikte Infanrix-IPV dat wel was).
  • DTPDifterie, Tetanus en Poliomyelitis-vaccin van BBio en Revaxis zijn voor de gebruikelijke indicatie binnen het RVP (revaccinatie rond de leeftijd van 9 jaar) allebei geschikt en uitwisselbaar. Revaxis is echter niet geschikt voor het opbouwen van basisimmuniteit. DTP van BBio is dat wel, vanaf de leeftijd van 5 jaar. Dat is echter geen RVP.
  • DKTP-Hib-HepB: Binnen het RVP is alleen Vaxelis beschikbaar. Series begonnen met Infanrix hexa worden afgemaakt met Vaxelis. Hepatitis B: Binnen het RVP is voor kinderen vanaf 16 jaar het vaccin Engerix B 20 microgram beschikbaar. Dit vaccin is vergelijkbaar met HBVAXPRO Adult, wat voorheen beschikbaar was.

8.2 Simultaan vaccineren

Simultaan vaccineren betekent dat verschillende vaccinaties gelijktijdig of op dezelfde dag gegeven kunnen worden. Voor het kind is dit het minst belastend. Bij simultaan vaccineren worden meerdere prikken gegeven. In principe worden hiervoor verschillende ledematen gebruikt, zeker beneden de 2e verjaardag. Als dat niet mogelijk is kunnen twee prikken in één ledemaat gegeven worden met een minimale afstand van 2,5 cm. Het ene vaccin intramusculair en het ander subcutaan toedienen biedt ook een goede spreiding in één ledemaat.

Boven de leeftijd van 2 jaar wordt meestal in de arm gevaccineerd (maar dat kan natuurlijk ook al op jongere leeftijd).

8.3 Intervallen

Bij de toediening van vaccins die onderdeel zijn van een serie, zoals DKTPDifterie, kinkhoest, tetanus, polio-Hib-HepB, moet het standaardinterval van die serie worden aangehouden (zie Hoofdstuk 7 Tijdstip van vaccinaties). In principe geldt in een serie vaccinaties dat later starten en een groot interval een betere immuniteit op leveren dan vroeg starten en een klein interval. Vroeg starten kan wel nodig zijn om vroeg bescherming te bereiken. Minimumintervallen worden in principe alleen gehanteerd als het niet anders kan, bijvoorbeeld als er een lange reis naar het buitenland is gepland. Een te kort interval is aanleiding voor een extra vaccinatie. Langere intervallen leiden niet tot verlies van het immuungeheugen. De serie hoeft niet opnieuw gestart te worden. Wel duurt het langer voordat er bescherming is opgebouwd.

Bij toediening van verschillende vaccins die geen onderdeel zijn van dezelfde serie (bijvoorbeeld de influenzavaccinatie) hoeft er tussen die verschillende vaccins (zowel binnen als buiten het RVPRijksvaccinatieprogramma) geen specifiek interval gehanteerd te worden, behalve als het 2 parenteraal (per injectie) toegediende levende vaccins betreft:

  • Twee levende parenteraal toegediende vaccins dienen ofwel simultaan (of dezelfde dag) ofwel met een interval van minimaal 4 weken te worden gegeven. Dit betreft oa BMRBof, mazelen, rodehond-vaccin, gelekoortsvaccin en waterpokkenvaccin.
  • Als een van beide vaccins gelekoortsvaccin is, verdient het de sterke voorkeur om een interval van minimaal 4 weken te hanteren. Indien het gelekoortsvaccin op dezelfde dag is gegeven als een ander levend vaccin, is de levenslange immuniteit tegen gelekoorts niet gegarandeerd en moet de gelekoortsvaccinatie bij een volgende reisindicatie opnieuw worden toegediend.
  • Uitzondering: voor of na een BCG-vaccinatie tegen tuberculose hoeft geen interval in acht te worden genomen.

Bij toediening van ‘dode'/geïnactiveerde vaccins hoeft geen interval gehanteerd te worden met andere vaccinsook niet met levend verzwakte vaccins (Burgmeijer 2011, Skibinski 2011, www.lcr.nl). Bij levend verzwakt vaccin dat oraal wordt toegediend, zoals rotavirusvaccinatie, hoeft eveneens geen interval met andere vaccins gehanteerd te worden.