Door naar volgend hoofdstuk

18.1 Postexpositieprofylaxe tetanus

Kinderen die niet basisimmuun zijn voor tetanus of de boostervaccinaties niet op tijd hebben ontvangen, lopen bij een verwonding risico op een tetanusinfectie. In geval van een verwonding bestaat de behandeling uit een combinatie van actieve en passieve immunisatie, uitsluitend actieve immunisatie of geen immunisatie.

Zie de LCILandelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (onderdeel RIVM)-richtlijn Tetanus bijlage tetanus-postexpositieprofylaxe. De richtlijn en het stroomschema zijn in overleg met het Nederlands Huisartsengenootschap opgesteld. Voor vragen en behandeladviezen informeer bij de GGDGemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst afdeling Infectieziektebestrijding.

18.2 Passieve immunisatie

Passieve immunisatie (toediening van TIG (tetanusimmunoglobuline)) overbrugt de periode totdat de actieve vaccinatie (toediening van tetanustoxoïd) voor voldoende antistoffen zorgt. TIG dient zo spoedig mogelijk gegeven te worden. De kinderdosering is gelijk aan de volwassen dosering.

18.3 Actieve immunisatie

Kinderen die volgens het RVPRijksvaccinatieprogramma gevaccineerd worden of zijn, moeten geen los tetanusvaccin toegediend krijgen na verwonding. Vaccineren conform het RVP biedt bescherming tegen tetanus. Tetanustoxoïd wordt bij kinderen gegeven in de vorm van D(K)TP, zo nodig gecombineerd met Hib en/of HepB. Een los tetanusvaccin bevat thiomersal.

18.4 Postexpositieprofylaxe na maternale DKT-vaccinatie

Indien moeder tijdens het tweede of derde trimester van de zwangerschap is gevaccineerd en daarvoor al een volledige serie tetanusvaccinaties heeft gehad, dan heeft het kind meestal voldoende antistoffen tegen tetanus gedurende de eerste levensmaanden. Behandeling met immunoglobulinen is dan mogelijk niet nodig. Informeer bij de GGDGemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst over het recente beleid.