Bijwerkingen van een vaccin

Bijwerkingen van een vaccin

Een bijwerking is een ongewenst effect van een geneesmiddel of een vaccin. Het gewenste effect van een vaccinatie is bescherming tegen infectieziekten. Alle andere effecten zijn dus bijwerkingen. Een zere arm, een rode vlek, of een zwelling op de plaats van de vaccinatie zijn voorbeelden van bijwerkingen. Omdat er voortdurend onderzoek plaatsvindt naar bijwerkingen, zijn de meeste bijwerkingen van vaccins bekend. Meestal zijn bijwerkingen niet ernstig en betreft het lichte koorts of een rode, gezwollen plek waar de prik is gegeven. Kleine kinderen kunnen wat hangerig zijn en vaker langer huilen. Bijwerkingen gaan meestal binnen enkele dagen vanzelf over. Ernstige bijwerkingen zijn zeer zeldzaam.

Hoe ontstaat een bijwerking?

Bijwerkingen van vaccins ontstaan meestal door een reactie van het lichaam op het vaccin. Vaccins bevatten deeltjes van een virus of een bacterie (dode vaccins), of bevatten verzwakte virussen of bacteriën (levend verzwakte vaccins). Zodra deze deeltjes of de verzwakte virussen of bacteriën via het vaccin in je lichaam komen, wil het lichaam ze ‘opruimen’. Op dat moment komt het immuunsysteem in actie. Zo bouwt het lichaam afweer op tegen het virus of de bacterie. Omdat het om dode of verzwakte deeltjes gaat, kun je van de vaccinatie niet de infectieziekte zelf krijgen. Door de afweerreactie van je lichaam tegen deze deeltjes kunnen kinderen na een vaccinatie wat hangerig zijn, koorts krijgen en kunnen ze een rode gezwollen plek hebben op de plek van de vaccinatie.

Strenge veiligheidseisen voor vaccinaties

Aan vaccins worden strenge veiligheidseisen gesteld. Voordat een vaccin op de markt wordt gebracht, is het uitgebreid onderzocht en getest. Net als bij geneesmiddelen wordt er zowel naar de werkzaamheid als naar mogelijke bijwerkingen gekeken. Ook als een vaccin goedgekeurd en veilig bevonden is, gaat het onderzoek naar bijwerkingen door. Juist omdat vaccins worden gegeven aan gezonde kinderen en mensen, kijken de betrokken organisaties extra kritisch naar bijwerkingen.

Twijfel over vaccinatie

Ouders willen het beste voor hun kinderen en willen ze zo goed mogelijk beschermen tegen ziekte en handicaps. De kennis over bijwerkingen die door vaccinatie kunnen optreden, hoe klein het risico hierop ook is, veroorzaken soms twijfel over het wel of niet vaccineren. Omdat de ziektes waartegen wordt gevaccineerd steeds minder vaak voorkomen doordat bijna alle kinderen worden gevaccineerd, komen de risico’s van vaccinatie meer op de voorgrond te staan. Ook al zijn die risico’s minimaal. Absolute zekerheid dat er nooit ernstige bijwerkingen optreden is niet te geven. Hele zeldzame bijwerkingen, die bijvoorbeeld maar bij één op de miljoen kinderen optreden, kunnen ook bij uitvoerig onderzoek, onopgemerkt blijven. Deze kunnen dus niet worden uitgesloten. De risico’s van de infectieziekten zijn nog steeds reëel. Ook nu nog overlijden er kinderen in Nederland en raken er kinderen gehandicapt door de ziekten waartegen we vaccineren. Meestal zijn dat kinderen die niet of niet volledig zijn gevaccineerd. De risico’s van vaccinatie wegen in geen geval op tegen de risico’s die een kind loopt door niet gevaccineerd te worden.

Veel voorkomende bijwerkingen

Bijwerkingen van vaccins ontstaan meestal door een reactie van het lichaam op het vaccin. Vaak is dit een reactie van het immuunsysteem of een lichte infectie bij een levend vaccin. Bijwerkingen kunnen ook ontstaan door de spanning en stress die iemand ervaart rond de vaccinatie.

  • Koortsstuipen komen regelmatig voor bij kinderen. Ook na vaccinatie krijgt een kind een enkele keer een koortsstuip. Dit ziet er heel erg uit en daar kun je als ouder flink van schrikken. Gelukkig zijn deze stuipen onschuldig en is er een kleine kans op herhaling bij volgende vaccinaties.
  • Na vaccinatie kan de vaccinatieplaats rood aanlopen en opzwellen. Meestal beperkt de roodheid en zwelling zich tot de vaccinatieplaats. Een enkele keer is echter de hele bovenarm of bovenbeen rood en gezwollen. Dit wordt ook wel ELS (Extensive Limb Swelling) genoemd. Dat ziet er vaak heel erg uit en kinderen kunnen er een aantal dagen last van hebben, maar ook dit gaat vanzelf over. Kinderen krijgen zelden nog een keer zo’n uitgebreide zwelling na een vaccinatie. Een enkele keer komen er met de prik bacteriën vanaf de huid mee. Er kan dan een abces met pus ontstaan. Dit komt maar 5-10 per jaar voor.
Vijf veel gemelde mogelijke bijwerkingen na RVP vaccinaties in 2016 en 2017. Bron: Lareb 2017
Gemelde bijwerking Aantal keer gemeld in 2016 Aantal keer gemeld in 2017
Koorts 543 608
Ontstekingsreactie op de plaats van injectie 474 476
Huilen 351 234
Hoofdpijn 170 77
Extensive limb swelling (ELS) 161 75

Op de website van Bijwerkingencentrum Lareb vind je meer informatie over verschillende bijwerkingen.

Wat doen bij bijwerkingen?

De meeste kinderen voelen zich na een vaccinatie even niet lekker. Het ene kind reageert soms wat heftiger dan het andere. Dat hangt af van de leeftijd van een kind of de soort vaccinatie die is gegeven. Ook maakt het uit of het een eerste of een vervolgvaccinatie is. Meestal ontstaan bijwerkingen op de dag dat de inenting is gegeven. Ze duren meestal niet langer dan 1 tot 2 dagen. De inenting tegen bof, mazelen en rodehond, de BMRBof, mazelen, rodehond-vaccinatie, veroorzaakt pas na 5 tot 12 dagen een reactie. De verzwakte virussen veroorzaken een licht infectie met soms wat koorts, huiduitslag of een dikke wang. Hiervoor hoef je geen dokter te waarschuwen. Wordt een kind erger ziek of houdt de koorts langer dan een aantal dagen aan, dan is het verstandig de huisarts te waarschuwen. Misschien is er meer of iets anders aan de hand en valt het toevallig gelijk met de prik die gegeven is. 

Tips bij bijwerkingen na vaccinatie

Voelt een kind zich niet lekker dan helpen de volgende adviezen:

  • Probeer je kind op een rustige manier af te leiden, maar belet het kind niet om te kijken.
  • Zorg bij kleine kinderen voor lichaamscontact, aandacht en afleiding tijdens het moment van inenten om de pijn van de prik minder te maken. Ook na de prik kan lichaamscontact en aandacht helpen de pijn te verminderen.
  • Fietsen met de benen na de vaccinatie helpt om pijn, stijfheid en zwelling van de prikplek te verminderen. 
  • Geef bij heftig huilen of duidelijke pijn die later op de dag van inenting optreedt eventueel een paracetamol. Lees altijd eerst de bijsluiter.
  • Heeft je kind last van de ingeënte arm of van het ingeënte been? Vermijd dan contact met de zere arm of het zere been. Daar wordt de pijn erger van.
  • Bij een warme gezwollen plek kan koelen de pijn en zwelling verminderen. Leg dan een washand of theedoek die met koud kraanwater nat gemaakt is op de warme gezwollen plek. Gebruik geen ijs, ice- of cold packs! Dat kan bevriezing veroorzaken.
  • Geef een kind met koorts voldoende te drinken om uitdroging te voorkomen. Koorts is een natuurlijke reactie en niet direct een reden om paracetamol te geven. 

Inentingen en flauwvallen

Veel kinderen vinden inentingen eng. Sommige kinderen, vooral in de schoolleeftijd, gaan alleen al van de gedachte van hun stokje, anderen vallen flauw na de prik. Als er in groepsverband gevaccineerd wordt, werkt het flauwvallen wel eens aanstekelijk. Bij een op de drie kinderen die flauwvallen, treden samentrekkingen van de spieren op. Soms ook broekplassen. Dit heeft niets te maken met een epileptische aanval.

Is je kind wel eens flauwgevallen bij een inenting?

  • Laat je kind dan voldoende eten voordat het gevaccineerd wordt.
  • Laat je kind dan liggen als het wordt gevaccineerd.
  • Laat je kind na het vaccineren niet onmiddellijk opstaan, laat het eerst een tijdje rustig zitten.

Bijwerkingen in bijsluiter

In de bijsluiters van medicijnen en vaccins worden alle gemelde bijwerkingen vermeld. Dit zijn zowel bewezen bijwerkingen als gebeurtenissen, die mogelijk worden veroorzaakt door het vaccin. Als er nieuwe (mogelijke) bijwerkingen bekend worden dan moet de fabrikant op last van toezichthouder de bijsluiter aanpassen. De fabrikant kan ook verplicht worden mogelijke bijwerkingen te vermelden, ook als nog niet bewezen is dat de mogelijke bijwerking door het vaccin wordt veroorzaakt. De lijst van mogelijke bijwerkingen is daarom vaak heel lang en daar kun je van schrikken. Kijk bijvoorbeeld eens op een bijsluiter van een medicijn uit het medicijnkastje.

Internationale registratie

Bijwerkingen worden ook in internationaal verband geregistreerd en geanalyseerd. Bijwerkingencentrum Lareb werkt hier ook aan mee. Nadat de melding geregistreerd is, stuurt Bijwerkingencentrum Lareb de melding geanonimiseerd door naar de Europese registratie-autoriteiten (EMA) en de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO). Door de bijwerkingen internationaal te verzamelen, vallen eventuele zeldzame bijwerkingen eerder op. Dit kan dit leiden tot aanpassing van vaccins of het vaccinatieprogramma of dat er verder onderzoek moet worden gedaan.

Allergische reacties

Een allergische reactie is een overdreven sterke afweerreactie van ons lichaam op stoffen waar we mee in aanraking komen. Dit hoeft niet heel ernstig te zijn. De meeste allergische reacties veroorzaken alleen wat huiduitslag en/of jeuk. Ernstige allergische reacties door vaccinaties bij kinderen zijn zeer zeldzaam en zijn in Nederland, voor zo ver bekend, nog nooit voorgekomen.

Allergische reacties kunnen soms ernstiger worden naarmate het lichaam vaker in contact komt met een stof waar het lichaam allergisch op reageert. Dan kunnen slijmvliezen opzwellen en krijg je dikke lippen, rode vlekken op de huid en word je benauwd. In hele ernstige gevallen kunnen de bloedvaten verwijden en kan de bloeddruk dalen. We noemen dat een anafylactische reactie. Dit is acute gevaarlijke situatie waar je zonder behandeling aan dood kunt gaan. Deze ernstige reactie is in Nederland, voor zo ver bekend, nog nooit voorgekomen na een vaccinatie bij kinderen in het Rijksvaccinatieprogramma.

Stoffen waarvan bekend is dat ze een allergische reactie kunnen geven zijn bijvoorbeeld antibiotica en kippenei-eiwit. In sommige vaccins kunnen hele kleine restjes (sporen) van antibiotica zitten die zijn gebruikt bij de productie van vaccins. Deze antibiotica worden niet gebruikt bij de behandeling van kinderen die ziek zijn. Kinderen kunnen er dan ook niet allergisch voor zijn, ook niet als ze zijn behandeld met antibiotica in het ziekenhuis voordat ze gevaccineerd werden. 

Sommige griepvaccins en het gele koorts vaccin worden geproduceerd met behulp van eieren. Voor de productie van vaccins die in het Rijksvaccinatieprogramma worden gebruikt, worden geen eieren gebruikt. Ook kinderen met een kippenei-eiwit allergie kunnen dus zonder problemen worden gevaccineerd met de vaccins van het Rijksvaccinatieprogramma.

Onderzoek naar bijwerkingen

Er wordt veel onderzoek gedaan naar de effecten van vaccinaties. Als er een verdenking is dat een bepaald vaccin een ernstige aandoening kan veroorzaken zal eerst met relatief eenvoudig onderzoek worden gekeken of de aandoening door het vaccin kan zijn veroorzaakt. Het voordeel van dergelijk onderzoek is dat het vaak relatief eenvoudig is uit te voeren en de kosten beperkt zijn. Het kan snel inzicht geven. Nadeel is dat dergelijke onderzoek alleen een mogelijke relatie tussen vaccinatie en de bijwerking kan aantonen. Soms is daarom nog verder aanvullend onderzoek nodig om vast te stellen dat een bijwerking echt door het vaccin wordt veroorzaakt.

Kortdurend initieel wetenschappelijk onderzoek

In dit soort onderzoek wordt gekeken of mensen met een aandoening (bijvoorbeeld een bijwerking) vaker zijn gevaccineerd dan mensen zonder deze aandoening. (Dit wordt een case-control studie genoemd.) Ook kan worden onderzocht of bij mensen die gevaccineerd zijn de aandoening meer voorkomt dan bij mensen die niet gevaccineerd zijn. (Dit wordt een historisch- of retrospectief cohort onderzoek genoemd.) Hiervoor maken de onderzoekers gebruik van medische dossiers en vragenlijsten die door de deelnemers aan het onderzoek worden ingevuld. Het nadeel van dit type onderzoek is dat alle onderzoeksgegevens achteraf worden verzameld en de gegevens uit verschillende bronnen of bestanden komen. Ook kunnen er andere verschillen zijn tussen de groepen die zich wel en niet laten vaccineren die de uitkomst van het onderzoek beïnvloeden.

Een voorbeeld: Het kan zijn dat mensen met ernstige aandoeningen in de familie zich vaker laten vaccineren dan mensen die geen ernstige aandoeningen in de familie hebben. Als dan wordt gevonden dat de gevaccineerden vaker een ernstige aandoening krijgen dan hoeft dat niet door de vaccinatie te komen, maar kan het ook komen door de aanleg voor die aandoeningen in de familie.

Dit type onderzoek is relatief eenvoudig uit te voeren en de kosten zijn beperkt. Dit soort onderzoek wordt dan ook veel gedaan. Dit is meestal kwalitatief goed onderzoek, maar kan alleen een mogelijke relatie tussen vaccinatie en bijwerkingen aantonen. Verder onderzoek moet dan aantonen of de vermoede bijwerkingen echt door vaccinatie zijn veroorzaakt.

Aanvullend wetenschappelijk onderzoek

Beter is het om gegevens te verzamelen gedurende een aantal jaren achter elkaar bij dezelfde groepen mensen. Bijvoorbeeld een groep niet-gevaccineerde mensen en een groep gevaccineerde mensen. Na een aantal jaar wordt dan gekeken naar het voorkomen van aandoeningen bij de verschillende groepen en wordt gekeken of er een verband is tussen vaccinatie en de aandoening (Dit wordt prospectief cohort onderzoek genoemd). De gegevens worden dan systematisch en op dezelfde manier van alle deelnemers verzameld, zodat vergelijking van gegevens beter gedaan kan worden.

Nog beter is om te loten, waarbij het lot bepaalt of iemand gevaccineerd wordt of niet. Er zijn dan twee gelijke groepen die je met elkaar vergelijkt (dit wordt een Randomised controlled studie of RCT genoemd). Als dit gedaan wordt bij vaccins waarvan bij eerder uitgebreid onderzoek is aangetoond dat het veilig en werkzaam is, dan zou je hiermee  deelnemers aan het onderzoek die dan niet gevaccineerd worden het risico laten lopen op de infectieziekten waartegen het vaccin beschermt. Dit is ethisch niet verantwoord en is daarom ook verboden. Dit soort onderzoek wordt wel gedaan als een vaccin nog in ontwikkeling is en als nog moet worden aangetoond dat het vaccin echt werkt. Maar dan mag het vaccin buiten het onderzoek nog niet worden gegeven en lopen de deelnemers aan het onderzoek geen groter risico op de infectieziekte dan mensen die niet aan het onderzoek deelnemen.

Nationaal en internationaal onderzoek

Er wordt nationaal en internationaal onderzoek gedaan naar ernstige bijwerkingen van vaccinaties met de hierboven beschreven meerjarige methodes. Deze onderzoeken, die vaak met grote aantallen mensen zijn gedaan, laten niet meer ernstige aandoeningen zien bij mensen die gevaccineerd zijn met de vaccins die nu gegeven worden dan bij mensen die niet gevaccineerd zijn. Dat bewijst dat de ernstige aandoeningen niet worden veroorzaakt door vaccinaties of dat de kans dat de aandoeningen wel door de vaccinaties veroorzaakt worden minimaal is. Deze minimale kans is dan in ieder geval vele malen kleiner dan de kans op ernstige complicaties door de infectieziekte waartegen het vaccin beschermd. Deze onderzoeken worden gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften en op websites van bekende organisaties en onderzoeksinstituten, maar zie je nauwelijks terug in de berichten van mensen en organisaties die kritisch staan tegenover vaccineren.

Er is veel verschillend onderzoek gedaan naar bijwerkingen van vaccins. Vooral onderzoeken die een mogelijk verband laten zien tussen ernstige bijwerkingen en vaccinatie zwerven rond op het internet en vind je als je op zoek gaat naar informatie over veiligheid van vaccins. Deze onderzoeksresultaten zijn vaak van beperkte waarde en geven een vertekend en eenzijdig beeld. Sommige onderzoeken zijn zelfs ontmaskerd als frauduleus zoals het onderzoek van Andrew Wakefield eind jaren negentig. Zijn onderzoek leidde zelfs tot paniek bij jonge ouders omdat hij concludeerde dat het vaccin tegen bof, mazelen en rodehond tot autisme kon leiden. Na analyse door andere wetenschappers bleken de onderzoeksresultaten vervalst en bleek er sprake van belangenverstrengeling. Het tijdschrift heeft het artikel over het onderzoek teruggetrokken en Wakefield heeft zijn artsentitel moeten inleveren. Echter, op internet blijft dit artikel rondzwerven zonder de correctie er bij.

Voor het goed beoordelen van de veiligheid van een vaccin is het nodig om meerdere onderzoeken te bekijken en goed af te wegen welke waarde de verschillende onderzoeksresultaten hebben. Dit is een ingewikkelde klus, want het gaat hier vaak om tientallen onderzoeken per vaccin. Dit is onderdeel van het werk van de geneesmiddelenautoriteiten zoals de European Medicines Agency (EMA) en het Centraal Bureau Geneesmiddelenregistratie (CBG), maar ook de WHO en in Nederland het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Lareb en de Gezondheidsraad gebruiken al deze onderzoeksresultaten in hun oordelen over vaccins.

Gezondheidsraad en RIVM

In Nederland heeft de Gezondheidsraad de taak een eerlijk en gewogen advies te geven over vaccinaties. De Gezondheidsraad adviseert de minister van VWSMinisterie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het Rijksvaccinatieprogramma en beoordeelt vaccins op hun werkzaamheid en veiligheid in de Nederlandse situatie. Als er signalen zijn van ernstige aandoeningen veroorzaakt door vaccinatie, dan worden onderzoeksresultaten naast elkaar gelegd en beoordeeld. Het RIVM helpt de Gezondheidsraad met het verzamelen van onderzoeksresultaten en verricht eigen onderzoek. Op basis van alle onderzoek naar bijwerkingen van vaccins kan worden vastgesteld dat ernstige bijwerkingen ten gevolge van vaccinaties zeer zeldzaam zijn en niet opwegen tegen de risico’s van de ziekten waartegen gevaccineerd wordt. Door wetenschappelijk onderzoek weten we dat:

  • Vaccinaties geen epilepsie veroorzaken
  • Vaccinaties geen vermoeidheidssyndroom veroorzaken
  • Vaccinaties geen allergieën of astma veroorzaken
  • Je niet autistisch kunt worden door de BMRBof, mazelen, rodehond
  • Je niet onvruchtbaar wordt door de HPV-vaccinatie