Direct naar (in deze pagina):inhoud, zoeken of menu.

U bevindt zich op: Home Vaccinaties Wat zit er in vaccins?

Wat zit er in vaccins?

Wat zijn de bestanddelen van een vaccin?

De bestanddelen van een vaccin staan vermeld in de bijsluiter. Vaccins bevatten 3 soorten bestanddelen:

  1. Werkzame delen (antigenen): dit zijn delen van de ziekteverwekker (virus of bacterie) waartegen bescherming (immuniteit) wordt opgewekt.
  2. Hulpstoffen (bijv. adjuvantia): dit zijn stoffen die aan het vaccin worden toegevoegd om de werkzaamheid te verbeteren, de houdbaarheid te verlengen, het vaccin stabiel te houden, de toediening te vergemakkelijken, etc. Het zijn altijd stoffen die goed zijn onderzocht en waar al jarenlang ervaring mee is.
  3. Reststoffen: dit zijn de resten van stoffen die tijdens het productieproces van het vaccin worden toegevoegd om te voorkomen dat er ongewenste bacteriën tijdens het productieproces groeien. Deze reststoffen worden voordat het vaccin in gebruik genomen wordt, zo veel mogelijk verwijderd. Echter, zeer kleine hoeveelheden kunnen nog achter blijven. Het gaat dan om hoeveelheden die geen schade kunnen veroorzaken.

Zijn de hulpstoffen in vaccins schadelijk?

Nee. Hulpstoffen zijn toevoegingen die de kwaliteit van het vaccin verbeteren. Het kunnen stoffen zijn, die de werkzaamheid verbeteren (ook wel adjuvans genoemd), maar ook buffers, die de zuurgraad constant kunnen houden, conserveringsmiddelen, die de houdbaarheid vergroten of stabilisatoren, die zorgen voor een goede werkzaamheid op de langere termijn. Het gaat over hele kleine hoeveelheden die ver onder de grens van het toelaatbare liggen. De exacte samenstelling van een vaccin moet in de bijsluiter worden vermeld. Een enkele keer zijn er sporen van stoffen, die tijdens het productieproces gebruikt zijn, terug te vinden in het vaccin. De fabrikant vermeldt dit meestal ook in de bijsluiter. Van al deze stoffen is aangetoond dat ze geen gevaar vormen voor de gezondheid, ook niet als een kind een volledig vaccinatieprogramma volgt.

Waarom zitten er aluminiumverbindingen in een vaccin?

Aluminiumverbindingen zoals aluminiumsulfaat, aluminiumhydroxide behoren tot de groep van hulpstoffen in een vaccin en komen voor in vaccins zoals DKTP-Hib, Pneu, HPV, MenC, HepB. Aluminiumverbindingen zorgen ervoor dat het vaccin ons afweer(immuun)systeem beter bereikt waardoor de werkzaamheid wordt verhoogd. Dit betekent ook dat de hoeveelheid vaccin die ingespoten wordt verlaagd kan worden.

Aluminium zit in de lucht, ons voedsel en ons drinkwater. Per dag krijgen we ongeveer 5-10 mg aluminium binnen via onze ademhaling en ons maagdarmkanaal. Daarbij veroorzaakt aluminium alleen problemen bij veel hogere doseringen. De Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA) heeft in 1993 een schatting van de dagelijkse inname van aluminium in voedsel per kg per dag gemaakt. Dat varieert per leeftijdsgroep van 0,10 - 0,12 mg/kg/dag. Alleen kinderen tussen 2 en 6 jaar springen eruit met 0,30 - 0,35 mg/kg/dag en 14-16-jarigen met 0,15 - 0,18 mg/kg/dag. De minimale risiconiveaus voor orale inname ligt volgens de FDA op 1 mg/kg/dg gedurende >365 dagen.

In de afgelopen 80 jaar, waarin aluminiumverbindingen zijn toegevoegd aan vaccins, is er voortdurend onderzoek gedaan of deze invloed kan hebben op de gezondheid. Het blijkt dat de toevoeging van aluminiumverbindingen onschadelijk is. De hoeveelheid aluminium in een vaccin is vele malen lager dan de hoeveelheid waar mensen en ook zuigelingen elke dag aan blootgesteld worden. Zo krijgt een baby in de eerste 6 maanden slechts circa 4 mg aluminium via vaccins binnen. Dit is nog minder dan de hoeveelheid aluminium die een baby elke dag standaard binnenkrijgt door ademen, eten en drinken. Ter vergelijking, door 1 hoeveelheid borstvoeding krijgt een baby 10 mg aluminium binnen en met flesvoeding 30 mg.

Ook al komt in het ene geval aluminium in het lichaam via een inenting en in het andere geval via de mond, het blijkt dat de hoeveelheid aluminium via voeding vele malen hoger is dan de totale hoeveelheid aluminium in de aluminiumverbindingen die in de Rijksvaccinatieprogramma-vaccins zit die een baby gedurende zijn eerste 6 levensmaanden krijgt. Daarnaast wordt een vaccin slechts eenmalig of enkele keren toegediend en is eten en drinken een dagelijks gebeuren.

Bronnen:

  • http://www.cdc.gov/vaccines/vac-gen/additives.htm
  • Burgmeijer Deel A. 2011
  • University of Oxford, vaccine group: http://www.ovg.ox.ac.uk/vaccine-ingredients
  • FDA: US Drug and Food administration: http://www.fda.gov/BiologicsBloodVaccines/SafetyAvailability/VaccineSafety/ucm187810.htm
  • Offit PA and Moser CA. Vaccines and your child. 2011
  • Keith LS, Jones DE, Chou CHSJ. Aluminum toxicokinetics regarding infant diet and vaccinations. 2002. Vaccine (20) S13-S17

Waarom zit er antibiotica in een vaccin?

Antibiotica behoren tot de reststoffen in een vaccin. Tijdens het productieproces en opslag van vaccins worden bepaalde stoffen, waaronder antibiotica, toegevoegd om te zorgen dat ongewenste bacteriën niet kunnen groeien. Vóór het afvullen van de vaccinvloeistof in spuiten of flesjes worden vaccins grondig gereinigd, maar toch kunnen zeer kleine hoeveelheden stoffen achterblijven. Dat betreft op zijn hoogst zeer kleine hoeveelheden (sporen).

Gebruik van antibiotica kan in sommige gevallen leiden tot ernstige allergische reacties bij kinderen. Echter, de restanten van antibiotica die in vaccins kunnen zitten hebben zelden bijwerkingen tot gevolg. Dit komt doordat de antibiotica in vaccins andere antibiotica zijn dan de antibiotica die meestal aan baby’s en kleine kinderen via de mond (oraal) worden toegediend. Tot deze laatste groep behoren penicillines, cefalosporines en sulfamedicijnen.

Bij het maken van vaccins worden antibiotica zoals neomycine, polymyxine B, streptomycine en gentamicine toegevoegd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het combinatievaccin DKTP-Hib-HepB, het DKTP- vaccin en het vaccin tegen BMR. Deze antibiotica geven geen acute-fase / anafylactische reacties maar kunnen eventueel, bij hoge uitzondering, een vertraagd-type allergische reactie (type-IV-overgevoeligheidsreactie/contact eczeem). Dit kan zich uiten in (wat) lokale huidreactie. Onze ervaring hiermee is uitermate gunstig. De waarschuwende zinsnede over antibiotica op de bijsluiters is meer op basis van een eis ten aanzien van de registratie dan bedoeld als een praktische waarschuwing.

Hoewel zelden, zijn sommige kinderen bekend met een allergie tegen neomycine, streptomycine of polymyxine. Dit moet door de ouders aan de verpleegkundige of arts gemeld worden voordat de vaccinatie gegeven wordt.

De resthoeveelheden van de antibiotica in vaccins zijn heel erg laag. Zo zit er bijvoorbeeld in het BMR-vaccin minder dan 0.025 mg neomycine. Tabel 1 geeft een overzicht van de gebruikte antibiotica in het productieproces van vaccins binnen het Rijksvaccinatieprogramma.

Tabel 1: Overzicht van gebruikte antibiotica in de vaccins binnen het Rijksvaccinatieprogramma

Vaccin

Infectieziekte(n)

Antibiotica

Engerix junior

Hep B (kinderen)

geen

Synflorix

Pneumokokken

geen

Infanrix-hexa

DKTP-Hib-HepB

neomycine sporen mogelijk polymyxine B sporen mogelijk

MMRVaxpro

BMR

neomycine sporen mogelijk

DTP-NVI

DTP-6

neomycine sporen mogelijk polymyxine B sporen mogelijk

streptomycine sporen mogelijk

Neisvac-C

Meningokokken C

geen

Infanrix-IPV

DKTP-5

neomycine sporen mogelijk

polymyxine B sporen mogelijk

Cervarix

HPV

geen

Pediacel

DKTP-Hib

neomycine sporen mogelijk polymyxine B sporen mogelijk

streptomycine sporen mogelijk

HBVAXPRO

Hep B (volwassenen)

geen

     

Bronnen:

  • http://www.cdc.gov/vaccines/vac-gen/additives.htm
  • http://www.chop.edu/service/vaccine-education-center/vaccine-safety/vaccine-ingredients/antibiotics.html
  • University of Oxford, vaccine group: http://www.ovg.ox.ac.uk/vaccine-ingredients
  • FDA: US Drug and Food administration: http://www.fda.gov/BiologicsBloodVaccines/SafetyAvailability/VaccineSafety/ucm187810.htm
  • Offit PA and Moser CA. Vaccines and your child. 2011
  • Bijsluiters van de vaccinfabrikant
  • Burgmeijer 2011 deel A

Waarom zit er formaldehyde in vaccins?

Tijdens het productieproces en opslag van vaccins worden stoffen, waaronder formaldehyde (formaline), toegevoegd als conserveringsmiddel om te zorgen dat ongewenste bacteriën niet kunnen groeien. Vóór het afvullen van de vaccinvloeistof in spuiten of flesjes worden vaccins grondig gereinigd maar toch kunnen zeer kleine hoeveelheden stoffen achterblijven. Dit worden reststoffen genoemd.

De resthoeveelheid formaldehyde in het vaccin is niet schadelijk voor de gezondheid. Het menselijk lichaam bevat een kleine hoeveelheid formaldehyde die nodig is voor de stofwisseling. Formaldehyde zit van nature ook in veel fruit en groente en houdt daar de groei van bacteriën en schimmels tegen waardoor de houdbaarheid wordt verlengd.

Formaldehyde kan een mogelijk (schadelijke) invloed op het lichaam hebben bij orale inname van 50-100 mg/kg per dag. Een dosis vaccin van 0.5 ml bevat tussen de 0.05 mg en 0.1 mg formaldehyde (dus 0.1-0.2 mg/ml). Ter vergelijking: in een peer van 100 gram zit gemiddeld 5 mg formaldehyde (50 mg/kg). Gegeven het feit dat in het ene geval de formaldehyde in het lichaam binnenkomt via een inenting en in het andere geval via de mond is gebleken dat er ongeveer 19 tot 38 keer meer formaldehyde in een peer zit dan in een vaccin. Daarnaast wordt een vaccin slechts eenmalig of enkele keren toegediend en wordt fruit vrijwel dagelijks gegeten.

Bronnen:

  • Plotkin SA, Orenstein W and Offit PA. Hoofdstuk 6 in boek “Vaccines”, 6de editie 2012. Elsevier Saunders, United States
  • http://www.fda.gov/BiologicsBloodVaccines/SafetyAvailability/VaccineSafety/ucm187810.htm
  • http://www.chop.edu/service/vaccine-education-center/vaccine-safety/vaccine-ingredients/formaldehyde.html
  • http://www.ema.europa.eu/ema/index.jsp?curl=pages/includes/medicines/medicines_landing_page.jsp&mid=
  • http://www.cbg-meb.nl/CBG/nl/humane-geneesmiddelen/actueel/default.htm
  • University of Oxford, vaccine group: http://www.ovg.ox.ac.uk/vaccine-ingredients
  • http://www.euro.who.int/__data/assets/pdf_file/0014/123062/AQG2ndEd_5_8Formaldehyde.pdf
  • http://www.cfs.gov.hk/english/whatsnew/whatsnew_fa/files/formaldehyde.pdf
  • Agency for toxic substances and disease registry 2008: http://www.atsdr.cdc.gov/toxprofiles/formaldehyde_fig_1-2.jpg

Zit er Thiomersal in de vaccins van het Rijksvaccinatieprogramma?

Nee. Thiomersal is een ethylkwikverbinding die soms in dode of geïnactiveerde vaccins wordt gebruikt vanwege de desinfecterende werking. Thiomersal zit niet in de vaccins die in het Rijksvaccinatieprogramma gebruikt worden.

Geschiedenis

De eis voor conserveermiddelen in vaccins is ontstaan toen in de jaren 20 van de 20e eeuw een aantal kinderen ernstige en soms zelfs fatale bacteriële infecties ontwikkelden na toediening van een bepaald vaccin. Door toevoeging van thiomersal in lage concentraties aan vaccins bleek dat besmetting al effectief tegen te gaan was, zonder de effectiviteit van het vaccin te verminderen. Vanaf 1940 werd thiomersal toegevoegd aan de vaccins tegen difterie, kinkhoest en meningokokken. In de jaren 30 en 40 van de vorige eeuw werd thiomersal onderzocht in proefdierstudies en studies bij patiënten.

In de jaren 70 was er sprake van een toenemende bezorgdheid over de giftige eigenschappen van kwik, met name methylkwik dat bij milieuverontreinigingen werd gevonden. Methyl- en ethylkwik werden onderzocht en de consensus was dat, in tegenstelling tot methylkwik, ethylkwik veilig en effectief is in de lage concentraties die in vaccins werden gebruikt.

In de jaren 90 laaide de discussie over methyl- en ethylkwik weer op en werd nu gesteld dat beide kwikverbindingen ook bij lage blootstelling gevaarlijk zouden kunnen zijn voor foetussen en kleine kinderen.

In 1997 werd de Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA) verplicht tot het samenstellen van een lijst met voedingsmiddelen en medicijnen waaraan kwikverbindingen waren toegevoegd, welke kwikverbindingen waren toegevoegd en de hoeveelheid. Deze maatregel was bedoeld om de blootstelling aan kwik te verminderen. Voor ethylkwik had men nog geen norm voor veilige blootstelling. Voor methylkwik was deze er wel en die werd onterecht ook op ethylkwik toegepast. Beide stoffen verschillen chemisch gezien een fractie, alleen een CH2-groep, maar toxisch gezien is het verschil groot. Het gevolg van deze maatregel was dat thiomersal vanaf 2001 werd weggelaten bij het maken van (de meeste) vaccins en niet meer wordt gebruikt in de vaccins binnen het Rijksvaccinatieprogramma.

Bronnen:

  • http://www.chop.edu/service/vaccine-education-center/vaccine-safety/vaccine-ingredients/thimerosal.html
  • http://www.who.int/biologicals/areas/vaccines/thiomersal/en/
  • World Health Organization 2004. Guidelines on regulatory expectations related to the elimination, reduction or replacement of thiomersal in vaccines. WHO Technical Report Series, No. 926
  • http://www.cdc.gov/vaccines/vac-gen/additives.htm
  • University of Oxford, vaccine group: http://www.ovg.ox.ac.uk/vaccine-ingredients
  • FDA: US Drug and Food administration: http://www.fda.gov/BiologicsBloodVaccines/SafetyAvailability/VaccineSafety/ucm187810.htm
  • http://www.who.int/vaccine_safety/topics/thiomersal/statement_jul2006/en/

Waarom zitten er kippenei-eiwitten in vaccins?

Kippenei-eiwit behoort tot de reststoffen. Bij het ontwikkelen van een aantal vaccins waaronder de meeste griepvaccins, maar ook het vaccin tegen gele koorts, worden bebroede kippeneieren gebruikt voor de groei van het virus. Na virusgroei worden deze vaccins zeer goed gezuiverd, maar het is niet geheel uit te sluiten dat er nog hele kleine restanten kippenei-eiwit aanwezig zijn. Daarom wordt deze stof wel vermeld in de bijsluiter. De hoeveelheid restanten van het kippenei-eiwit in het vaccin wordt gemeten in picogrammen (1 picogram = 0.000000001 mg).

In de praktijk is gebleken dat deze vaccins vrijwel nooit problemen geven bij mensen die een kippenei-eiwitallergie hebben of hebben gehad, omdat de hoeveelheid kippenei-eiwit die achter kan blijven zo gering is. Ook onderzoekspublicaties geven herhaaldelijk aan dat mensen met een kippenei-eiwitallergie gewoon gevaccineerd kunnen worden. Voor alle zekerheid kunnen personen die in het verleden een heftige reactie hebben vertoond na het eten van eieren een huidtest ondergaan, voorafgaand aan vaccins waarin mogelijk restanten van kippenei-eiwit zitten.

Bij de ontwikkeling van sommige andere vaccins, zoals het vaccin tegen bof, mazelen en rodehond (BMR) worden bepaalde cellen van het kippenembryo (kippenembryofibroblasten) gebruikt voor de groei van het virus. Na virusgroei worden deze vaccins ook weer goed gezuiverd. Dat betekent dat vaccins waarin zij voorkomen ook veilig toegediend kunnen worden aan mensen met een overgevoeligheid voor kippeneieren. Zelfs wanneer zij ooit een anafylactische shock hebben gekregen als gevolg van het eten van eieren, want het kippenei-eiwit zelf zit niet in het vaccin. Overgevoeligheid voor kippenei-eiwit is dus geen reden om het BMR-vaccin niet te geven.

Bronnen

  • http://www.lareb.nl/Vaccins/Soorten-vaccins
  • http://www.cdc.gov/vaccines/vpd-vac/default.htm#basics
  • http://www.cdc.gov/vaccines/vac-gen/additives.htm
  • University of Oxford, vaccine group: http://www.ovg.ox.ac.uk/vaccine-ingredients
  • FDA: US Drug and Food administration: http://www.fda.gov/BiologicsBloodVaccines/SafetyAvailability/VaccineSafety/ucm187810.htm
  • Burgmeijer 2011, deel A
  • Offit and Moser 2011. “Vaccines and your child”.

Service