Download hier de richtlijn als pdf

Zuigelingen uit risicogroepen geboren vanaf 1 juni 2020 krijgen een vaccinatie aangeboden tegen het rotavirus. Het betreft ongeveer 8% van de pasgeborenen. Dat heeft staatssecretaris Blokhuis besloten op basis van het advies van de Gezondheidsraad. Het gaat om kinderen die te vroeg zijn geboren, een laag geboortegewicht hebben of op een andere manier kwetsbaar zijn. Bij deze kinderen verloopt een infectie met het rotavirus vaak ernstiger. Wanneer deze risicogroepen worden gevaccineerd, kunnen ongeveer 350 ziekenhuisopnames en 5-6 sterfgevallen per jaar worden voorkomen (Gezondheidsraad 2017).

Een infectie met het rotavirus veroorzaakt een ontsteking aan maag en darmen. Vooral jonge kinderen tussen 6 en 24 maanden zijn kwetsbaar voor het rotavirus. Dat geldt vooral voor kinderen uit risicogroepen. Zij kunnen ernstige uitdrogingsverschijnselen krijgen door hevige diarree en braken.

1. Over deze richtlijn

Deze richtlijn is door het LRO vastgesteld op 4 februari 2020.
Voor Caribisch Nederland zal een plan opgesteld worden voor de invoering van rotavirusvaccinatie, aangepast aan de lokale omstandigheden.

2. Indicaties voor vaccinatie tegen rotavirus

Indicaties

In Nederland komen kinderen zoals beschreven in paragraaf 2.2 van de Richtlijn Uitvoering RVP en geboren vanaf 1 juni 2020 in aanmerking voor rotavirusvaccinatie als ze aan een of meer van onderstaande criteria voldoen:

Criterium 1:

  • Prematuriteit t/m 36+6 weken (< 37 weken) zwangerschapsduur. Hierbij wordt geen minimale zwangerschapsduur gehanteerd.

EN/OF

  • Geboortegewicht lager dan 2500 gram.

Criterium 2:

  • Een verhoogd risico op ernstige ontregeling bij braken en/of diarree op grond van een medische aandoening (zie paragraaf 3 NVK-protocol (wordt momenteel vastgesteld, link volgt)).

    Voor deze risicogroep stelt de kinderarts de indicatie voor rotavirusvaccinatie. De kinderarts draagt ook zorg voor de toediening van rotavirusvaccinatie, tenzij de kinderarts het kind hiervoor tijdig naar de jeugdarts heeft verwezen.

    De indicatie is leeftijdsafhankelijk

    Het is belangrijk om de rotavirusvaccinatie op zo jong mogelijke leeftijd te starten. De eerste vaccinatie wordt tussen 6 en 9 weken toegediend en in ieder geval vóór de leeftijd van 12 weken. Alleen bij hoge uitzondering kan een kinderarts bepalen dat vaccinatie na de leeftijd van 12 weken alsnog gestart wordt.

    In het RVPRijksvaccinatieprogramma wordt het rotavirusvaccin van het merk Rotarix gebruikt. De maximale leeftijd waarop dit vaccin mag worden toegediend is 23 weken en 6 dagen. Vanaf de leeftijd van 24 weken vervalt de indicatie; het vaccin mag niet meer worden toegediend. Zie ook 5. Vaccinatieschema.

    Uitwisseling van medische gegevens tussen kinderartsen en jeugdgezondheidszorg bij rotavirusvaccinatie

    Rotavirusvaccinatie wordt gezamenlijk uitgevoerd door kinderartsen en jeugdartsen. Voor een goede zorg is het noodzakelijk dat medische gegevens uitgewisseld worden tussen de kinderarts die een kind in zorg heeft en de betrokken jeugdarts, zowel om tijdig rotavirusvaccinaties toe te dienen als om contra-indicaties goed toe te passen. Hier is sprake van medebehandelaarschap en verwijzing. De juridische basis voor de uitwisseling van medische gegevens is te vinden in de KNMG-richtlijn Omgaan met medische gegevens. Tenzij er nadrukkelijk bezwaar wordt gemaakt, mogen kinderartsen en jeugdartsen in het belang van het kind medische gegevens uitwisselen op basis van expliciete of veronderstelde toestemming.

    Uitwisseling van medische gegevens is een doorbreking van het beroepsgeheim. Dit is toegestaan als de patiënt (in dit geval de ouder) hiervoor toestemming verleent. Als niet expliciet om toestemming gevraagd is, kan er sprake zijn van ‘veronderstelde toestemming van de patiënt’ (zie. 7.4.2 p. 130 KNMG-richtlijn). Dit is het geval:

    1. bij verwijzing (verwijsbrief en specialistenbrief, zie p. 22 KNMG-richtlijn) van kinderarts naar jeugdarts of andersom. Van verwijzing is bijvoorbeeld sprake als de jeugdarts een rotavirusvaccinatieserie afmaakt die door de kinderarts is gestart volgens de richtlijn uitvoering RVP;
    2. wanneer beide ‘medebehandelaars’ zijn. Medebehandelaars zijn personen die rechtstreeks betrokken zijn bij de behandeling van de patiënt. In dit geval is de rotavirusvaccinatie de behandeling (zie p. 23 KNMG-Richtlijn). Van medebehandeling is sprake bij uitwisseling van contra-indicaties voor vaccinatie.

    De inhoud van de gedeelde informatie (telefonisch als het snel moet of via een brief) moet betrekking hebben op de rotavirusvaccinatie, maar omdat zowel de JGZJeugdgezondheidszorg als de kinderarts een bredere zorgtaak heeft voor het kind, kan dit ruim opgevat worden.

    De taken van de jeugdarts, de jeugdverpleegkundige en de kinderarts

    Criterium 1 (prematuriteit en/of geboortegewicht < 2500 gram en kind is thuis)

    Tijdens het huisbezoek bij 2 weken inventariseert de jeugdverpleegkundige de zwangerschapsduur en het geboortegewicht. De jeugdverpleegkundige benoemt dat het kind volgens het RVP in principe in aanmerking komt voor vaccinatie tegen rotavirus en dat de jeugdarts dit tijdens het 4 wekenconsult met de ouders zal bespreken.

    De jeugdarts beoordeelt tijdens het 4 wekenconsult of het kind een indicatie voor rotavirusvaccinatie heeft, rekening houdend met eventuele (relatieve) contra-indicaties. Het is de taak van de kinderarts om absolute contra-indicaties tijdig door te geven aan de jeugdarts.

    Criterium 1 (prematuriteit en/of geboortegewicht < 2500 gram en kind is opgenomen in het ziekenhuis)

    Als het kind voor de leeftijd van 6 weken uit het ziekenhuis wordt ontslagen, is de jeugdarts verantwoordelijk voor de indicatiestelling en de rotavirusvaccinatie. Indien het kind bij 6 weken (nog) in het ziekenhuis ligt, is de kinderarts verantwoordelijk voor de rotavirusvaccinatie: de kinderarts vaccineert of zelf, of zoekt actief contact met de JGZ om de beoogde ontslagdatum door te geven en verwijst het kind voor vaccinatie naar de JGZ. De JGZ kan vervolgens een afspraak plannen voor de eerste rotavirusvaccinatie.

    De RVP-coördinator in het ziekenhuis is een van de kinderartsen. De RVP-coördinator heeft als taak de collega-specialist hierbij te ondersteunen en is ook aanspreekpunt voor de JGZ als er vragen zijn m.b.t. vaccinaties.

    Criterium 2 (verhoogd risico op ontregeling bij braken en/of diarree op grond van een medische aandoening)

    De indicatie op grond van criterium 2, verhoogd risico op ontregeling bij braken en/of diarree op grond van een medische aandoening, wordt door een kinderarts gesteld (zie paragraaf 3 NVK-protocol (wordt momenteel vastgesteld, link volgt)). De kinderarts draagt er ook zorg voor dat de vaccinatie wordt toegediend aan deze groep, tenzij de kinderarts naar de jeugdarts verwijst voor toediening aldaar. Hiervoor is altijd tijdig afstemming nodig tussen kinderarts en JGZ.

    De RVP-coördinator in het ziekenhuis heeft als taak de specialist hierbij te ondersteunen en is ook aanspreekpunt voor de JGZ als er vragen zijn m.b.t. vaccinaties.

    Stroomschema verantwoordelijkheid indicatie en uitvoering rotavirusvaccinatie

    Stroomschema verantwoordelijkheid indicatie en uitvoering rotavirusvaccinatie

    3. Contra-indicaties

    Kindgebonden contra-indicaties

    Absolute contra-indicaties

    • Overgevoeligheid voor een bestanddeel van het vaccin. Zie bijsluiter;
    • Fructose-intolerantie, glucose-galactose-malabsorptie, sucrose-isomaltase-insufficiëntie;
    • Voorgeschiedenis met darminvaginatie bij het kind;
    • Aandoening met verhoogd risico op darminvaginatie (bijvoorbeeld meckeldivertikel of poliep);
    • Ernstige immuundeficiënties, zoals SCID (Pilot SCID-screening in Nederland: bij prematuren is de uitslag van de hielprik op de leeftijd van 6 weken nog niet altijd bekend), of klinische verdenking daarop.

    Meestal zijn deze absolute contra-indicaties op jonge leeftijd nog niet bekend.

    Indien een dergelijke contra-indicatie bekend is bij een kind dat anders in aanmerking zou komen voor rotavirusvaccinatie (zie paragraaf 2), dient de kinderarts de jeugdarts als medebehandelaar hiervan per direct op de hoogte te stellen.

    Relatieve contra-indicaties

    Vaccinatie dient te worden uitgesteld bij:

    • koorts (38,5 °C of hoger);
    • acute ernstige gastro-enteritis;
    • cardiothoracale bypass-chirurgie tot minimaal 6 weken postoperatief;
    • interval bij andere operaties dan bovengenoemde, zie tabel 5 in Hoofdstuk 5 RVP-richtlijn Uitvoering.

    Indien een andere tijdelijke contra-indicatie bekend is bij de kinderarts, dient de kinderarts de JGZJeugdgezondheidszorg hiervan per direct op de hoogte te stellen. Dit betreft bijvoorbeeld een immuun-gecompromitteerde status als gevolg van een behandeling met immunosuppressieve medicatie.

    Geen contra-indicaties

    Geen contra-indicaties zijn onder andere:

    • milde infectie en verhoging tot 38,5 °C;
    • bloedtransfusie;
    • toediening immunoglobulinen;
    • hiv (WHO position paper) (ESPID).

    Zie ook Hoofdstuk 5 RVP-richtlijn Uitvoering voor algemene contra-indicaties en ‘geen contra-indicaties’.

    Maternale contra-indicaties

    Maternaal gebruik van een biological tijdens de zwangerschap, waarbij er sprake is van trans-placentaire overdracht naar het kind (bijvoorbeeld infliximab) kan een contra-indicatie zijn. Vóór toediening van rotavirusvaccinatie is spiegelbepaling van de biological bij het kind geïndiceerd. De zuigeling hoeft hiervoor niet apart naar de kinderarts verwezen te worden. De jeugdarts handelt op basis van de beschikbare informatie.

    1. Zonder spiegelbepaling van de biological bij het kind wordt het rotavirusvaccin niet toegediend.
    2. Als er geen detecteerbare spiegel van de biological bij het kind gevonden is, kan het rotavirusvaccin worden toegediend.
    3. Als er wel een detecteerbare spiegel van de biological bij het kind gevonden is, wordt het rotavirusvaccin niet toegediend, omdat er momenteel onvoldoende gegevens zijn over de veiligheid bij deze kinderen. Zie RVP-richtlijn Uitvoering, Vaccinaties bij kinderen van moeders die biologicals (o.a. infliximab) gebruikt hebben tijdens de zwangerschap.
    Spiegel biologicals rotavirusvaccinatie

    4. Vaccin, toediening en beschermingsduur

    Vaccin

    Binnen het RVPRijksvaccinatieprogramma wordt het vaccin Rotarix gebruikt. Het rotavirusvaccin is een levend verzwakt vaccin dat oraal wordt toegediend in 2 doses van 1,5 ml. Het vaccin is geschikt voor zuigelingen in de leeftijd van 6 weken t/m 23 weken en 6 dagen.

    Toediening

    Voor praktische informatie over toediening zie de uitvoeringsfolder (link volgt) en het toedieningsfilmpje (link volgt) op de RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu-website.

    Er hoeft geen interval gehanteerd te worden met de voeding. Borstvoeding heeft geen effect op de werkzaamheid van het vaccin. Indien de zuigeling het grootste deel van het vaccin direct uitspuugt, wordt geadviseerd om de dosis eenmalig te herhalen. Dit kan meteen.

    Vaccinatie onder monitorbewaking kan nodig zijn bij prematuren < 32 weken zwangerschapsduur. Voor de rotavirusvaccinatie zijn de criteria voor vaccinatie onder monitorbewaking van toepassing zoals beschreven in de RVP-richtlijn Uitvoering, 15.1 Tijdig vaccineren van prematuren.

    Beschermingsduur

    Een volledige vaccinatieserie biedt minimaal 2 jaar bescherming.

    Afvalverwerking

    Na toediening van het vaccin kan de lege tube met de dop in de naaldencontainer worden gedaan.

    5. Het vaccinatieschema

    Een volledige serie bestaat uit twee orale doses.

    Rota1: de eerste rotavirusvaccinatie wordt gegeven op de leeftijd van 6-9 weken

    • Het heeft de voorkeur de vaccinatie zo vroeg mogelijk, dat wil zeggen op de leeftijd van 6 weken, toe te dienen. Bij voorkeur tegelijk met DKTPDifterie, kinkhoest, tetanus, polio-Hib-HepB-X, indien voor de DKTP-Hib-HepB een 2-3-5-11 maandenschema is geïndiceerd.
    • De vaccinatie mag niet eerder gegeven worden dan op de leeftijd van 6 weken.

    (PM: DKTP-Hib-HepB en Pneu hebben een andere minimumleeftijd.)

    • Rota1 mag uiterlijk op de leeftijd van 11 weken en 6 dagen worden toegediend.
    • Op individueel niveau kan de kinderarts toediening op de leeftijd van 12 weken of ouder indiceren (ESPID). Hierbij wordt geen bovengrens aangehouden voor de eerste vaccinatie, maar de uiterste leeftijd voor de laatste vaccinatie is 23 weken en 6 dagen.

    Rota2: de tweede rotavirusvaccinatie wordt gegeven op de leeftijd van 3 maanden

    • Als Rota1 op de leeftijd van 6 weken is gegeven dan heeft het de voorkeur dat Rota2 samen met DKTP-Hib-HepB en Pneu op de leeftijd van 3 maanden wordt toegediend.
    • Als Rota1 later is toegediend dan op 6-9 weken, dan is het streefinterval tussen Rota1 en Rota2 1 maand.
    • Het minimuminterval is 4 weken.

    (PM: DKTP-Hib-HepB heeft een ander minimuminterval: 2 weken of 6 weken afhankelijk van het schema.)

    • Rota2 mag uiterlijk op de leeftijd van 23 weken en 6 dagen worden toegediend.

    Zie Vaccinatieschema’s RVP 2020.

    6. Simultaan vaccineren met andere vaccins

    Het rotavirusvaccin kan simultaan worden toegediend met DKTPDifterie, kinkhoest, tetanus, polio-Hib-HepB, Pneu, DKTP, Hib, IPV, HepB en MenACWY.

    Indien het standaard (3-5-11) vaccinatieschema van het RVPRijksvaccinatieprogramma wordt gehanteerd:

    • Rota1 bij voorkeur vanaf de leeftijd van 6 weken;
    • Rota2 bij voorkeur tegelijk toedienen met DKTP-Hib-HepB1 en Pneu1.

    Indien het aangepaste (2-3-5-11) vaccinatieschema van het RVP wordt gehanteerd:

    • Rota1 bij voorkeur tegelijk toedienen met DKTP-Hib-HepB-X (vanaf de leeftijd van 6 weken);
    • Rota2 bij voorkeur tegelijk toedienen met DKTP-Hib-HepB1 en Pneu1.

    Het rotavirusvaccin kan tegelijk worden toegediend met Synagis. Ook hoeft er geen specifiek interval gehanteerd te worden.

    Met BCG hoeft geen specifiek interval gehanteerd te worden. Het betreft allebei levend vaccin, maar de toedieningswegen zijn verschillend. Zie ook paragraaf 8.3 van de RVP-Richtlijn Uitvoering RVP.

    7. Effectiviteit

    De vaccinatie vermindert het aantal rotavirusinfecties met ernstige symptomen en het aantal ziekenhuisopnames met 85%. Dit geldt eveneens voor RotaTeq, het andere rotavirusvaccin dat in Europa beschikbaar is.

    Door het vaccineren van de risicogroepen worden jaarlijks ongeveer 350 ziekenhuisopnames en mogelijk 5 tot 6 sterfgevallen per jaar voorkomen (Gezondheidsraad 2017).

      8. Veiligheid, ervaring en bijwerkingen

      Rotarix is sinds 2006 geregistreerd. Zoals bij alle vaccins die geregistreerd zijn voor gebruik in Nederland, is de veiligheid van Rotarix uitgebreid onderzocht en goed bevonden. Dit geldt ook voor RotaTeq. Het vaccin wordt over het algemeen goed verdragen. Het heeft een mild bijwerkingspatroon. De meest voorkomende klacht is enkele dagen dunnere ontlasting. Dit komt voor bij 1 op de 10 tot 100 gevaccineerden.

      Beide rotavirusvaccins zijn echter ook geassocieerd met een darminvaginatie. De oorzaak van de invaginatie is vaak niet duidelijk en de associatie met de vaccinatie is onbegrepen. Als een invaginatie na vaccinatie werd gezien was dat meestal in de week na toediening van de eerste dosis. Een invaginatie is over het algemeen zonder restverschijnselen te behandelen, maar soms treden er complicaties op. In Nederland is de incidentie 35 invaginaties per 100.000 kinderen jonger dan 1 jaar per jaar. De vaccinatie tegen rotavirus is geassocieerd met 2 extra invaginaties per 100.000 gevaccineerde kinderen. Jaarlijks behoren ongeveer 14.000 pasgeborenen tot de risicogroep die rota-vaccinatie aangeboden krijgt. Als er een causaal verband zou zijn, dan zou er in gevaccineerde risicogroepkinderen 1 extra invaginatie plaatsvinden per 3 jaar. De Gezondheidsraad vindt het mogelijk iets verhoogde risico op darminvaginatie niet opwegen tegen de voordelen van vaccinatie.

      Omdat het voorkomen van invaginaties sterk toeneemt vanaf de geboorte met een piek bij 6 maanden is het van belang om tijdig te vaccineren om het mogelijke aantal extra invaginaties zo veel mogelijk te beperken (Gezondheidsraad 2017).

      Zie ook hoofdstuk 11 Postvaccinale verschijnselen van de RVP-richtlijn Uitvoering RVP.

      9. Infectiepreventie buiten het ziekenhuis

      De normale hygiënemaatregelen die bij alle kinderen van toepassing zijn, zijn voor kinderen die tegen rotavirus gevaccineerd zijn ook voldoende. Gevaccineerde kinderen kunnen gewoon naar een kinderdagopvang. Immuungecompromitteerde personen moeten direct contact met de feces van een gevaccineerd kind vermijden gedurende 14 dagen na vaccinatie.

      10. Vaccinatieserie in het buitenland begonnen

      In diverse landen wordt vaccinatie tegen rotavirus standaard aan alle zuigelingen toegediend. Als een zuigeling in het buitenland is begonnen met de vaccinatieserie, kan deze binnen het RVPRijksvaccinatieprogramma afgerond worden, mits de indicatiecriteria die binnen het RVP gelden ook van toepassing zijn. Zie 2. Indicatie.

      Naast Rotarix is nog een ander vaccin beschikbaar: RotaTeq, ook sinds 2006 geregistreerd. RotaTeq is eveneens een oraal vaccin. Het vaccin wordt in een 3 dosesschema toegediend, met twee intervallen van een maand (minimaal 4 weken). De minimumleeftijd van toediening is ook 6 weken, de uiterste leeftijd waarop de derde RotaTeq mag worden toegediend is 32 weken en 6 dagen.

      De vaccins Rotarix en RotaTeq zijn in principe niet uitwisselbaar. Het heeft de voorkeur om de serie af te maken met hetzelfde vaccin waarmee gestart is. Binnen het RVP wordt alleen Rotarix gebruikt. Als bij de eerste of de eerste twee vaccinaties RotaTeq of een onbekend vaccin is toegediend, mag de serie afgemaakt worden met Rotarix. In dat geval moet een 3 dosesschema gehanteerd worden, met intervallen van 1 maand, waarbij de laatste dosis uiterlijk op de leeftijd van 23 weken en 6 dagen mag worden toegediend. Er is geen reden om aan te nemen dat dit tot meer bijwerkingen leidt (ACIP).

      Als een kind ouder is dan de uiterste leeftijd waarop gevaccineerd mag worden, dan wordt de serie niet meer afgerond.

      11. Communicatie en registratie

      Folders en website

      De algemene folder over het RVPRijksvaccinatieprogramma (Bescherm uw kind tegen infectieziekten) is uitgebreid met beknopte informatie over de vaccinatie tegen rotavirus. Daarnaast is er een folder ontwikkeld voor de kinderen die een indicatie hebben voor rotavirusvaccinatie (link volgt).

      Op de website Rijksvaccinatieprogramma.nl is een aparte pagina (link volgt) te vinden met allerlei informatie over de ziekte die rotavirus veroorzaakt, de risicofactoren, het vaccin en de toediening.

      Indicatiestelling door jeugdarts: informeren van ouders en RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

      De jeugdarts beoordeelt tijdens het 4 wekenconsult of het kind een indicatie voor rotavirusvaccinatie heeft, rekening houdend met eventuele (relatieve) contra-indicaties, en geeft de folder over de vaccinatie aan de ouders. Op den duur wordt via DD JGZJeugdgezondheidszorg ook zwangerschapsduur en geboortegewicht doorgegeven aan het RIVM.

      Indicatiestelling door kinderarts: informeren van ouders, RIVM en JGZ

      Als het kind bij 6 weken (nog) in het ziekenhuis ligt, is de kinderarts verantwoordelijk voor de indicatiestelling en toediening van de rotavirusvaccinatie, rekening houdend met eventuele (relatieve) contra-indicaties. De kinderarts geeft de folder over de vaccinatie aan de ouders. De kinderarts bespreekt de informatieverstrekking naar het RIVM met de ouders. De kinderarts geeft de toegediende vaccinatie ook door aan de juiste JGZ-organisatie. De jeugdarts kan gezien worden als medebehandelaar van de kinderarts. Tenzij er nadrukkelijk bezwaar wordt gemaakt, mogen kinderartsen en jeugdartsen in het belang van het kind medische gegevens uitwisselen op basis van expliciete of veronderstelde toestemming. Zie paragraaf 2.3.

      De RVP-coördinator in het ziekenhuis kan deze taak ook voor alle kinderartsen in het betreffende ziekenhuis coördineren. Lokaal kunnen JGZ-organisaties met de RVP-coördinator in het ziekenhuis afspraken maken om een tijdige overdracht bij ontslag te bevorderen.

      Centrale registratie van vaccinaties

      Een rotavirusvaccinatie kan op drie verschillende manieren worden doorgegeven aan het RIVM:

      • registratie in DD JGZ en via berichtenverkeer;
      • registratie door kinderarts op een speciaal digitaal invulformulier;
      • chargenummer en datum vermelden op een blauwerandkaart.

      Registratie op het vaccinatiebewijs

      Op het huidige vaccinatiebewijs wordt de rotavirusvaccinatie genoteerd bij ‘Overig’. De indicatie voor rotavirusvaccinatie kan door de arts aangekruist worden op het vaccinatiebewijs.

      12. Medische en principiële bezwaren

      Medisch bezwaar

      Indien er een medische contra-indicatie bestaat, dient dit door de JGZJeugdgezondheidszorg doorgegeven te worden aan de medisch adviseur van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. De contra-indicatie wordt in Praeventis geregistreerd, de ouders ontvangen een bevestigingsbrief en ze ontvangen geen herinneringsoproep meer.

      Principieel bezwaar

      Ouders van kinderen met een indicatie kunnen hun bezwaar tegen een oproep voor rotavirusvaccinatie kenbaar maken. Dit bezwaar wordt geregistreerd door JGZ en RIVM.

      13. Belangrijke links en referenties