16.1 Reizen naar verre en/of tropische bestemmingenv

16.1 Reizen naar verre en/of tropische bestemmingen

Advisering over reizen naar verre en/of tropische bestemmingen is een specialistische geneeskundige taak. Hiervoor kunnen ouders terecht bij de GGDGemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst afdeling Reizigersadvisering, een gecertificeerd vaccinatiebureau of hun huisarts als die daarin gespecialiseerd is (zie www.lcr.nl). Deskundig reizigersadvies betekent voor het kind, de ouders en overige gezinsleden advisering over de omgang met het kind in de bijzondere reisomstandigheden, eventuele extra vaccinaties en/of (malaria)medicatie.

16.2 Vervoegde BMR-vaccinatie

16.2 Vervoegde BMR-vaccinatie

Kinderen tussen ongeveer 6 en 14 maanden zijn niet beschermd tegen een mazeleninfectie. Zij hebben geen of weinig antistoffen meer van de moeder en zijn nog niet beschermd door vaccinatie. Dat is in Nederland normaal gesproken geen probleem, omdat er geen mazelenvirus circuleert. Als een kind in deze leeftijd op reis gaat naar een land waar mazelen nog veel voorkomt, wordt geadviseerd een extra BMRBof, mazelen, rodehond-vaccinatie te geven.

Deze vervroegde BMR-vaccinatie is niet nodig voor reizen naar bestemmingen binnen Europa (en Turkije), landen van het Amerikaanse continent (Noord-Amerika, Midden-Amerika, Caribisch gebied en Zuid-Amerika m.u.v. Haïti en Venezuela), Australië, Canada en Nieuw-Zeeland; tenzij daar regionaal een uitbraak van mazelen is. In dat geval komt er een bericht in RVPRijksvaccinatieprogramma-nieuws en op de website met exacte informatie over wie in aanmerking komt voor vervroegde BMR-vaccinatie. De vervroegde BMR-vaccinatie mag ook op het consultatiebureau worden gegeven. Zie kader hieronder voor informatie over de actuele uitbraak in Europa.

De vervroegde BMR-vaccinatie kan vanaf de leeftijd van 6 maanden gegeven worden. Indien de vervroegde BMR-vaccinatie vóór de 1e verjaardag is gegeven, moet de vaccinatie opnieuw gegeven worden op de leeftijd van 14 maanden. Kijk voor de noodzaak van een vervroegde BMR-vaccinatie of reisadviezen op de BMR 0-landenlijst.

Belangrijk is dan wel dat er geen interactie is met een vaccinatie tegen gele koorts (levend vaccin). Tussen de gelekoortsvaccinatie en de BMR-vaccinatie wordt een interval van minimaal 28 dagen geadviseerd. BMR- en gelekoortsvaccin worden bij voorkeur niet gelijktijdig toegediend. Na gelijktijdige toediening is geen levenslange bescherming gegarandeerd tegen gele koorts, maar is revaccinatie nodig bij een volgende reis (zie LCI-richtlijn Gele koorts).

Nieuwsbericht 8 juni 2018 over mazelen in Europa 

De mazelenepidemie in Zuid- en Oost-Europa houdt aan. Naast Roemenië Europa en Oekraïne worden ook mazelenuitbraken gemeld in verschillende Zuid-Europese landen en Engeland. De uitbraken in Italië lijken de laatste maanden wat af te nemen. Met name in Frankrijk is juist een sterke toename van het aantal mazelengevallen te zien. Ook in Griekenland wordt, vooral in de Roma gemeenschap, een toename van mazelengevallen gemeld (bron ECDC). Omdat de mazelenepidemieën vooral voorkomen onder lokale bevolking is het risico op besmetting tijdens een vakantie in die landen gering. 

Op basis van de beschikbare epidemiologische gegevens over de uitbraken is het advies voor vervroegde BMR-vaccinatie aangepast. Bij verblijf in Italië of Frankrijk bij lokale bevolking kan worden overwogen kinderen vanaf de leeftijd van 6 maanden te vaccineren met het BMR-vaccin. Deze vaccinatie kan worden gegeven vanuit het RVP moet na de leeftijd van 12 maanden worden herhaald. Zie voor vervroegde BMR-vaccinatieadviezen voor Oost-Europa en landen buiten Europa de BMR 0-landenlijst.   

16.3 Effectiviteit van de vervroegde BMR-vaccinatie

16.3 Effectiviteit van de vervroegde BMR-vaccinatie

Het geven van een vervroegde BMRBof, mazelen, rodehond is effectief (Aaby 1993, Hutchins 2001, Markowitz 1990, Porter 1990, Shasby 1977, De Serres 1996, Kaninda 1998). De leeftijd waarop de eerste mazelenvaccinatie wordt gegeven is wel van invloed op de antistofrespons (De Serres 2012, Gans 2003, Gans 2001, Gans 1998, Stetler 1986, Wilkins 1979, Markowitz 1992, Murphy 1984). Op langere termijn is de bescherming mogelijk minder goed na een vervroegde BMR. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de rijping van het afweersysteem en de aanwezigheid van moederlijke antistoffen. De humorale immuunrespons is (zowel qua antistofconcentratie als qua neutraliserend vermogen) lager wanneer de vervroegde BMR wordt toegediend op 6 maanden vergeleken met toediening op 12 maanden. Dit effect van de vervroegde BMR verdwijnt niet na een herhalings-BMR. Er is wel een duidelijk boostereffect te zien, maar minder dan bij kinderen die geen vervroegde BMR gehad hebben. Het komt waarschijnlijk omdat het immuunsysteem van een kind van 6 maanden nog minder goed ontwikkeld is. Bij een vervroegde vaccinatie op 9 maanden is bovenstaand effect minder en is het vooral afhankelijk van de aanwezigheid van maternale antistoffen.

De vervroegde BMR heeft een minder negatief effect op de cellulaire (T cel-) immuniteit tegen mazelen (Gans 2013, Bautista-Lopez 2000). Tot op heden zijn er geen studies over vaccinatie op zeer jonge leeftijd waarin de in het bloed gemeten afweerreactie worden gerelateerd aan de klinische bescherming tegen mazelen. Daardoor is de betekenis van de lagere antistofrespons na een eerste BMR-vaccinatie op de leeftijd van 6 maanden voor de bescherming later in het leven niet goed te duiden. Het klinisch beeld van mazelen na vaccinatie is wel veel milder dan van mazelen in de ongevaccineerden (De Serres 2013).

Voor kinderen met een hoog risico op blootstelling aan mazelen weegt het positieve aspect van snelle bescherming op tegen het negatieve aspect van mogelijk lagere antistoftiters tegen mazelen op de lange termijn. Maar als er geen direct risico is om mazelen op te lopen, geeft vaccinatie op de leeftijd van 14 maanden optimale bescherming.

Zie ook Afweging BMR-vaccinatie gegeven voor de leeftijd van 14 maanden (bijlage bij de LCI-richtlijn Mazelen)