6.1 De eerste DKTP-Hib-HepB- en Pneu-vaccinatie

6.1 De eerste DKTP-Hib-HepB- en Pneu-vaccinatie

De eerste vaccinatie dient in de regel gegeven te worden als de baby 6, 7, 8 of 9 weken oud is (Schurink-van ’t Klooster 2016, De Greeff 2010, King 2010). De geboortedag en het tijdstip waarop consultatiebureau gehouden wordt zijn hierin medebepalende factoren. Het blijft wenselijk de vaccinatie zo vroeg mogelijk te geven in verband met risico op kinkhoest. Het is te laat en niet wenselijk om de eerste vaccinatie na de leeftijd van 9 weken te geven. Als die situatie dreigt te ontstaan moet bekeken worden of de vaccinatie elders op tijd gegeven kan worden, bijvoorbeeld tijdens een inloopspreekuur of op een ander consultatiebureau. Voor kinderen die in het ziekenhuis hebben gelegen en inmiddels thuis zijn, is een goede overdracht van kinderarts naar jeugdarts belangrijk om onnodig uitstel van vaccinaties te voorkomen.

Ter preventie van neonatale kinkhoestinfectie kan tijdens de zwangerschap maternale kinkhoestvaccinatie (met een DKT(P)-boostervaccin) worden toegediend. De eerste vaccinaties in het kader van het RVPRijksvaccinatieprogramma bij de baby kunnen vervolgens op het normale tijdstip plaatsvinden. Zie informatie professionals Kinkhoestvaccinatie zwangere vrouwen.

In bijzondere situaties is het heel belangrijk om tijdig of zelfs vervroegd te vaccineren. De vaccins van het zuigelingenschema (DKTPDifterie, kinkhoest, tetanus, polio-HibHaemophilus influenzae type b -HepBHepatitis B en Pneu) zijn geregistreerd en/of uitgebreid onderzocht bij kinderen van 6 weken en ouder. Beperkter onderzoeksgegevens laten zien dat op individuele indicatie de vaccins vanaf de leeftijd van 4 weken (28 dagen, geboortedag is 0) kunnen worden toegediend met voldoende effectiviteit en toereikende bescherming. De volgende vaccinaties in de primaire serie worden vervolgens met normale intervallen toegediend, dus ook vervroegd. Bijzondere situaties:

  • Als het gaat om een baby van een moeder die HBsAgHepatitis B surface antigeen -draagster is. De eerste vaccinatie (HepB-0) moet binnen 48 uur na de geboorte gegeven zijn. De leeftijd van 9 weken is dan in principe de ‘deadline’ waarop de tweede vaccinatie (DKTP-Hib-HepB1) gegeven moet zijn.
  • Als er een lokale uitbraak van kinkhoest is of als de baby direct contact heeft gehad met een kinkhoestpatiënt. Contact tussen JGZJeugdgezondheidszorg en afdeling IZBInfectieziektebestrijding van de GGDGemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst is belangrijk. Mogelijk moeten andere ouders van jonge zuigelingen op het consultatiebureau en bijvoorbeeld kinderopvang geïnformeerd worden over het kinkhoestrisico. Binnen een gezin kan antibioticaprofylaxe geïndiceerd zijn, ook voor de zuigeling zelf. Zie LCI-richtlijn Kinkhoest.
  • Bij verwondingen kan het ook nodig zijn de vaccinatie eerder te geven. Het gaat dan om diepe, uitgebreide en/of verontreinigde wonden, in het bijzonder ook tweede- en derdegraads brandwonden. Zie LCI-richtlijn Tetanus.
  • Bij reizen naar een risicoland.
6.2 De tweede en derde DKTP-Hib-HepB-vaccinatie

6.2 De tweede en derde DKTP-Hib-HepB-vaccinatie

Voor de tweede en de derde vaccinatie is tijdigheid net zo van belang als voor de eerste vaccinatie. Standaard interval is 4 weken. Soms is er een reden om dit interval te verkorten, bijvoorbeeld als het kind voor enkele weken naar het buitenland gaat. Het absolute minimuminterval is 2 weken. Tweemaal een interval van minder dan 4 weken is niet wenselijk. Als het interval korter is dan 2 weken dan moet de vaccinatie opnieuw gegeven worden. De nieuwe vaccinatie wordt vervolgens 4 weken na de op één na laatste vaccinatie gepland. De te vroeg gegeven vaccinatie wordt niet meegerekend. Overleg bij twijfel altijd met de medisch adviseur van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

6.3 De tweede Pneu-vaccinatie

6.3 De tweede Pneu-vaccinatie

Ook bij de tweede pneumokokkenvaccinatie is tijdigheid van belang. Het standaard interval is 8 weken. Als er een reden is om het interval te verkorten, is het absolute minimuminterval 6 weken. Als het interval korter is, dan moet de vaccinatie opnieuw gegeven worden. De te vroeg gegeven vaccinatie wordt niet meegerekend (Gezondheidsraad 2010, Gezondheidsraad 2013) . Overleg bij twijfel altijd met de medisch adviseur van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

6.4 De DKTP-Hib-HepB- en Pneu-revaccinatie

6.4 De DKTP-Hib-HepB- en Pneu-revaccinatie

Na drie, respectievelijk twee vaccinaties (primaire serie) is het kind voorlopig voldoende beschermd. Zie ook tabel 3 in hoofdstuk 2 voor het reguliere schema. Er is wat meer speling voor het moment van de revaccinatie. Het interval tussen de tweede of derde en vierde vaccinatie is bij voorkeur minimaal 6 maanden. Onderzoek heeft uitgewezen dat het effect van de revaccinatie groter wordt naarmate het kind ouder is. Daarom is de vaccinatie op de leeftijd van 11 maanden immunologisch gezien beter dan op de leeftijd van 10 maanden. De revaccinatie wordt rond de leeftijd van 11 maanden gepland. Soms is het wenselijk om dit interval te verkorten. Het absolute minimuminterval is dan 4 maanden. Indicaties hiervoor zijn:

  • een kind dat langdurig naar het buitenland gaat en daar moeilijk aan vaccinaties kan komen;
  • een kind zonder vaste woon- of verblijfplaats;
  • een kind van een HBsAgHepatitis B surface antigeen -draagster, en van wie het onzeker is of het kind de volgende keer, op het gewenste tijdstip, weer op het consultatiebureau komt. 

Als het interval korter is dan 4 maanden dan moet de vaccinatie opnieuw gegeven worden. De nieuwe vaccinatie wordt 6 maanden na de laatste vaccinatie van de primaire serie gepland. De te vroeg gegeven vaccinatie wordt niet meegerekend. Overleg bij twijfel altijd met de medisch adviseur van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

6.5 De BMR- en MenACWY-vaccinatie

6.5 De BMR- en MenACWY-vaccinatie

Deze vaccinaties worden in de regel op de leeftijd van 14 maanden gegeven met een spreiding van 12 tot 15 maanden. Tijdigheid is van belang in verband met een onverhoopte mazelenepidemie. Als de vaccinaties voor de eerste verjaardag gegeven zijn, dan moeten ze na de leeftijd van 1 jaar opnieuw gegeven worden. Binnen het RVPRijksvaccinatieprogramma mag de BMRBof, mazelen, rodehond-vaccinatie vanaf de leeftijd van 6 maanden gegeven worden als daarvoor een reizigersindicatie bestaat (zie het addendum, hoofdstuk 16). Voor de MenACWYMeningokokkenziekte typen A, C, W en Y. -vaccinatie bestaat die indicatie niet.

6.6 De DKTP-boostervaccinatie voor de 4-jarigen

6.6 De DKTP-boostervaccinatie voor de 4-jarigen

De uitnodiging voor deze vaccinatie wordt verstuurd in het jaar dat een kind 4 jaar wordt. De vaccinatie wordt normaliter rond de leeftijd van 3 jaar en 9 maanden toegediend. Op indicatie mag de vaccinatie vervroegd worden, maar bij voorkeur niet eerder dan op de leeftijd van 3 jaar en 6 maanden. (Het vaccin is geregistreerd voor toediening vanaf de leeftijd van 3 jaar.)

Als er een DKTPDifterie, kinkhoest, tetanus, polio-(HibHaemophilus influenzae type b )-(HepBHepatitis B )-vaccinatie is gegeven na de 2e verjaardag, komt de DKTP-boostervaccinatie voor 4-jarigen te vervallen.

Nota Bene: het vaccin Boostrix Polio, dat gebruikt wordt voor deze DKTP-boostervaccinatie voor 4-jarigen, is alleen geregistreerd als booster en dus niet geschikt voor gebruik bij kinderen die nog bezig zijn met het opbouwen van basisimmuniteit.

6.7 De DTP-booster en de tweede BMR-vaccinatie voor de 9-jarigen

6.7 De DTP-booster en de tweede BMR-vaccinatie voor de 9-jarigen

De uitnodiging voor deze vaccinaties wordt verstuurd in het jaar dat een kind 9 jaar wordt. De vaccinaties worden meestal tijdens een zogenaamde groepsvaccinatie gegeven. Het moment daarvan wordt door de

JGZJeugdgezondheidszorg-organisatie bepaald in overleg met het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu-regiokantoor. Om te zorgen dat ieder kind voldoende mogelijkheid heeft voor vaccinatie, moet deze minimaal twee keer per jaar (voorjaar en najaar) op een goed bereikbare plaats aangeboden worden. Daarnaast moeten er mogelijkheden zijn voor individuele inhaalvaccinatie. Als de JGZ organisatie de vaccinaties kleinschalig door het hele jaar heen aanbiedt op verschillende plaatsen in het werkgebied moet ook ieder kind een inhaalmoment aangeboden krijgen in hetzelfde kalenderjaar. Als er een D(K)TP-(HepBHepatitis B )-vaccinatie is gegeven na de 6e verjaardag, komt de DTPDifterie, Tetanus en Poliomyelitis- boostervaccinatie voor 9-jarigen te vervallen.

6.8 De HPV-vaccinaties

6.8 De HPV-vaccinaties

De serie HPVHumaan papillomavirus -vaccinaties wordt door de JGZJeugdgezondheidszorg-organisatie in principe gestart in het voorjaar van het jaar waarin het meisje 13 jaar wordt. De serie wordt op deze leeftijd aangeboden om er voor te zorgen dat die is afgerond ruim voor de sexarche (Gezondheidsraad 2008, Puthanakit 2013, Romanowski 2013). In principe wordt de volledige serie van twee HPV-vaccinaties afgerond binnen een jaar nadat met de eerste vaccinatie is gestart. Als meisjes/ouders niet reageren op de eerste uitnodiging, ontvangen zij na een half jaar nog éénmaal een uitnodiging. Als het meisje dan wel gevaccineerd wordt, volgt en half jaar later een uitnodiging voor de volgende vaccinatie. Als meisjes in aanmerking komen voor een 3-dosesschema, moeten ze ook de mogelijkheid krijgen om de serie binnen 1 jaar af te ronden.

Als bij het 0-6-schema het interval kleiner is dan het minimuminterval van 5 maanden moet de vaccinatie opnieuw gegeven worden. Dit gebeurt dan 5 maanden na de te vroeg gegeven vaccinatie, conform de regels van een 0-1-6-schema. Zie ook paragraaf 9.11. Overleg bij twijfel met de medisch adviseur van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.