14. Prematuren en kinderen met specifieke aandoeningen

14. Prematuren en kinderen met specifieke aandoeningen

Te vroeg geboren baby’s hebben een verhoogd risico op infectieziekten (Mahieu 2009, Buijs 2012, Furck 2010), dus tijdig vaccineren is belangrijk. Zij worden gevaccineerd op de leeftijden volgens het RVPRijksvaccinatieprogramma-schema. Ook bij te vroeg geboren baby’s mag de eerste vaccinatie vanaf de leeftijd van 4 weken worden gegeven, indien daarvoor een indicatie is.

Te vroeg geboren baby’s (<33 weken zwangerschapsduur) hebben vaak een indicatie voor vaccinatie onder monitorbewaking, omdat er in de eerste 24 uur na vaccinatie cardiorespiratoire incidenten kunnen optreden (Buijs 2012, Meinus 2012).

De neonatale-intensivecare-afdelingen van Nederland hebben gezamenlijk een paragraaf opgenomen over vaccinaties in een aanbeveling over de behandeling van apneus. Binnen deze groep is er consensus over de volgende criteria om (ex-) prematuren te bewaken rondom de vaccinaties:

  • Tijdig vaccineren van prematuren gebeurt volgens de chronologische leeftijd en niet volgens de gecorrigeerde leeftijd.
  • Het is bekend dat prematuren meer apneus kunnen krijgen na vaccinatie. Op basis van de beschikbare literatuur (Flatz-Jequier 2008 ,Clifford 2011, Mialet-Marty 2011) wordt het volgende advies gegeven t.a.v. monitorbewaking rondom de vaccinaties:

<30 weken AD (amenorroeduur): vaccinatie voor ontslag of heropname voor monitoring gedurende 24 uur

30-32 weken AD: vaccinatie voor ontslag, voor zover mogelijk; heropname voor monitoring afhankelijk van risicofactoren in de voorgeschiedenis (very low birth weight < 1500 gr, bronchopulmonale dysplasie en/of ernstige ademhalingsregulatie problemen)

>32 weken AD: vaccinatie op het consultatiebureau
  • Een geplande opname voor de tweede vaccinatie wordt alleen geadviseerd indien zich tijdens de eerste vaccinatie een cardiorespiratoir incident heeft voorgedaan (Buijs 2012).

Voor kinderen die in het ziekenhuis hebben gelegen en inmiddels thuis zijn, is een goede overdracht van kinderarts naar jeugdarts belangrijk om onnodig uitstel van vaccinatie te voorkomen.

14.2 Aangepaste vaccinatieschema’s voor kinderen met specifieke aandoeningen

14.2 Aangepaste vaccinatieschema’s voor kinderen met specifieke aandoeningen

Voor een aantal aandoeningen is een apart vaccinatieschema opgesteld, dat gedeeltelijk het RVPRijksvaccinatieprogramma betreft. Het gaat om:

  • hypo- of asplenie bij kinderen (LCI-richtlijn);
  • kinderen na stamceltransplantatie;
  • kinderen met een cochleair implantaat.

In de praktijk neemt de specialist contact op met de medisch adviseur RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu over een kind met een dergelijke aandoening. Vervolgens geeft de medisch adviseur (via de stafarts) aan de jeugdarts door hoe het vaccinatieschema er voor het betreffende kind uitziet. Voor meer informatie over deze (re)vaccinatieschema’s kunt u bij de medisch adviseurs van het RIVM terecht.